Le Roy en de vrije expressie
Voortkomend uit de idealen van de Duitse Reformpedagogiek en de Engelse New Education Fellow Ship kwamen al voor de oorlog nieuwe ideeën naar voren over het tekenonderwijs aan kinderen. In Nederland was Kees Boeke een belangrijke vernieuwer op dit terrein. De vrije expressie van het kind was het nieuwe ideaal dat na de oorlog een doorbraak beleefde en aan de basis lag van de oprichting van De Werkschuit in 1950. Deze nieuwe gedachten spoorden uitstekend met de kunst van de experimentelen en CoBra die door Sandberg in het Stedelijk Museum werd binnengehaald. De ‘tabula rasa’ van de kinderlijke creativiteit werd heilig verklaard in navolging van wat Paul Klee in het begin van de eeuw al had beweerd.
In 1947 en 1949 organiseerde Sandberg tentoonstellingen van kindertekeningen in het Stedelijk. Het georganiseerde tekenonderwijs zat niet op deze ontwikkelingen te wachten. Men waarschuwde voor een ‘vernieuwingpsychose’. Maar de vrije expressie van het kind had de wind mee en zou in de jaren vijftig letterlijk en figuurlijk school gaan maken. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik eind jaren vijftig op de lagere school verwoed zat te vingerverven en te kleien onder leiding van een ‘juffrouw handenarbeid’. Maar ook in de provincie drongen de gedachten van De Werkschuit door. In de jaren vijftig werden in het Kunstcentrum Prinsentuin kindertekeningen van De Werkschuit geëxposeerd. Heel Nederland leek rond 1960 aan het vingerverven en sjabloneren geslagen.

Contstant, Twee vogels, 1949
Constant Nieuwenhuys schreef in het zijn beroemd geworden manifest van de CoBra-groep: ‘Het kind kent geen andere weg dan zijn spontaan levensgevoel en heeft geen ander behoefte dan dit te uiten.’ Er zat ook een cultuurkritisch element in de verheerlijking van de vrij expressie. De mens werd in de vervreemdende moderniteit nog slechts gezien als een verlengstuk van het maatschappelijk productieapparaat. Het kind moest ruimte worden gegeven om niet alleen zijn emotionele, maar ook zijn onbewuste impulsen te volgen, waarbij gedachten van Carl Gustav Jung over de ongewenste ophoping van spanningen in het onbewuste vaak mede als legitimatie dienden. Door de vrije expressie te bevorderen wilde men de zogeheten ‘expressie-breuk’ in de ontwikkeling van het kind voorkomen. Die breuk treedt doorgaans op rond het 12de jaar, wanneer de onbevangenheid in de uiting van het kind verdwijnt.

In 1949 werd Louis le Roy benoemd tot tekenleraar aan de Rijks HBS in Heerenveen. Het was een voorlopige aanstelling, want hij was – na drie jaar kunstacademie in Den Haag – nog geen bevoegd docent. Op eigen kracht haalde hij daarna de benodigde diploma’s. In die jaren rond 1950 ontwikkelde hij ook een heel eigen methode voor het tekenonderwijs. Daarbij keerde hij zich radicaal tegen de ideologie van de vrije expressie. Een kindertekening moest geen spontane uiting zijn van een emotie, zo meende Le Roy, maar een proces van bewustwording van vaardigheden om de essentie van een opgave te kunnen visualiseren. Volgens Le Roy zijn er twee soorten creatievelingen: de ‘zieners’ en de ‘bouwers’. Bij de meeste kinderen komen die gaven voor in een bepaalde balans, maar je hebt ook uitgesproken ‘zieners’ of ‘bouwers’. Hij zag zich zelf meer als een ‘bouwer’. De ‘zieners’ gaan uit van de vluchtige visuele waarneming en geven hun indrukken zo direct mogelijke weer. De ‘bouwers’ gaan eerst de belangrijke zaken in de structuur het object doorgronden en van daaruit het geziene weergeven in een tekening.
Belangrijk voor Le Roy is dat de relatie met de realiteit nooit verloren mag gaan. De totale abstractie in de kunst verwerpt hij dan ook. Anderzijds valt de tweedeling ‘zien versus bouwen’ niet samen met ‘modern versus traditioneel’. Ook Van Gogh – die hij bewonderde – was immers primair een ‘bouwer’. Hij bouwde de weergave van de werkelijkheid op vanuit een waargenomen innerlijke structuur. Maar Le Roy moest niets hebben van het stimuleren van de spontane expressie vanuit de blanke kinderziel. Dat leidde alleen maar tot geklieder en vieze vingers. De kindertekening moest – evenals de kunst – uitgaan van een onderliggende partituur, zoals de muziek daar ook niet zonder kan. Het kind moest leren tekenen in een voortdurend bewustwordingsproces, waarbij het telkens weer ging om de oefening van oog en hand.
Le Roy gaf altijd eenvoudige opgaven die met pen en inkt moesten worden uitgewerkt, zodat tussentijd geen correcties mogelijk waren. Ook het gebruik van een gum was uit den boze. Verbeteren mocht niet. Dóórgaan luidde het devies. De kindertekening mocht – net als het kunstwerk – ook nooit een afgerond ‘dood’ product zijn, maar altijd een ‘fase in een proces’. De opdrachten werden door Le Roy ook nooit in de klas geëxposeerd. De voltooide kindertekeningen werden na de les ingenomen en pas aan het einde van het schooljaar weer teruggegeven. Letterlijk stelde hij: ‘Een voortdurende confrontatie met ‘spontane’ momentopnamen, deze toevallige ongecontroleerde kristallisaties, zal tot gevolg hebben dat de ontwikkeling van het ‘bewustwordigsproces’ wordt afgeremd’. Anders gezegd: de vrije expressie was schadelijk voor het kind.

Zo ligt de kern van zijn latere gedachten over de ecokathedrale structuren al besloten in zijn opvattingen over het tekenonderwijs. Kunst is volgens Le Roy een vak dat verbonden is met de traditie, dat wil zeggen: met het doorgeven van verworvenheden uit het verleden in het heden. Dat is een belangrijke voorwaarde voor het vormen van complexiteit. Stijl heeft volgens Le Roy altijd een relatie met traditie, complexiteit en de zichtbare werkelijkheid. De kunstgeschiedenis zag hij als een ondulerend patroon van stijlperioden in de tijd, waarbij altijd een wisselwerking gaande is tussen chaos en complexe ordening. Vanaf de Romaanse periode via de Renaissance en uitmondend in de Barok is er een opgaande ontwikkeling geweest naar steeds meer complexiteit. Daarna is het misgegaan en is de samenhang uit de kunst verdwenen.
Volgens Le Roy leven we in een chaotische tijd en de kunst draagt daar de sporen van. Het is zaak om de weg uit de chaos terug te vinden. In die zin is hij in feite een uitgesproken anti-modernist. Met die opvatting stond hij na de oorlog overigens niet alleen. De strijd tussen de ‘experimentelen’ en ‘abstracten’ enerzijds en de ‘figuratieven’ en ‘realisten’ anderzijds was nog in volle gang in die tijd. Er waren er ook die een middenweg kozen, waarbij in het kunstwerk altijd een relatie met de zichtbare werkelijkheid bewaard bleef. Maar er waren ook felle tegenstanders van de vrije expressie en de kunst van CoBra, zoals bijvoorbeeld professor A.M. Hammacher die de hele beweging bestempelde als een vorm van ‘puerelisme’ (zie ook: ‘Weg met de vrije expressie’).

Achteraf bezien het uiterst curieus dat Le Roy met zijn in wezen conservatieve opvattingen over de moderne kunst aan het eind van de jaren zestig opeens in voorhoede van de internationale avant-garde belandt. Dat is een salto mortale die alleen vanuit zijn onderliggende opvattingen over de ‘kindertekening als proces’ te begrijpen valt. In feite maakte Constant Nieuwenhuys een tegengestelde ontwikkeling door. Zijn utopische project Nieuw Babylon bloedde uiteindelijk dood. Constant begon van de weeromstuit weer – vrij traditioneel – te schilderen. Le Roy daarentegen zei het schilderen uiteindelijk vaarwel, toen hij alle picturale problemen naar eigen inzicht opgelost dacht te hebben. Hij wilde geen voltooide kunstproducten meer afleveren, maar alleen nog kunst produceren als een voortdurend proces in de tijd. Van zijn aquarellen en schilderijen heeft hij er ook nooit één verkocht. De kunstmarkt met zijn woekering van prijzen vindt hij nog steeds een uitwas van het maatschappelijk systeem, waarin de moderne kunst in verstrikt is geraakt.
Le Roy is niet alleen de laatste anti-modernist, maar paradoxaal genoeg ook de laatste avant-gardist die het project van de moderniteit een nieuwe toekomst heeft gegeven door de kunst als een complexe – bijna natuurlijke – wisselwerking van systeem en toeval, orde en chaos, terug te plaatsen in de tijd. ‘De opstand van de Homo Ludens’, die Constant gepredikt had, werd uiteindelijk door Le Roy in praktijk gebracht. Hij ging stenen stapelen, één voor één, zoals hij ooit kindertekeningen had ingezameld, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Hij ging stenen stapelen, omdat we de kathedraal zijn vergeten waar we het ooit over hadden.

Hans
16 januari 2008 op 11:52
1971
Op de eerste lesdag wordt de leerling geacht een houten tekendoos mee te nemen. Er zijn grote en kleine, bij boekhandel Overdiep is de keus dus snel gemaakt.
Gemorrel in de klas: je kon toch zeker zelf wel schrijven? Doch vastbesloten griste Le Roy een tekendoos van tafel en schreef, met watervaste viltstift, mijn naam: voorletter, punt, achternaam. Na de les worden de dozen achter in het lokaal gezet, keurig op rij en hoewel ik het mij niet kan herinneren, veronderstel ik dat dit op alfabetische volgorde ging.
Ik geloof niet dat veel van mijn klasgenoten de lessen als plezierig hebben ervaren. Le Roy was een brombeer en je moest je altijd nauwkeurig aan de opdracht houden. Stiekum waren wij dan ook jaloers op wie les had van zijn collega Haak. Sommigen hadden nu en dan het lef om Le Roy te vragen of wij niet eens vrij mochten tekenen. Binnen de grenzen die de leraar stelde, waren wij, zo vrij als maar kon. Dus tekende ik de horizon waar het verdwijnpunt lag en groepeerde ik enkele dozen op het papier, groot en klein, kubusvormig of langwerpig. Ik tekende lijnen die zichtbaar waren en ook de lijnen die je niet ziet, ik tekende lijnen die naar het verdwijnpunt liepen. In de weken die volgden werd hierop voorgeborduurd, dozen werden flats, dozen kregen puntdaken, dozen werden straten, maar altijd weer dat verdwijnpunt, altijd weer de onuitwisbare hulplijnen, altijd ook, de indruk dat er van het hele perspectief niets deugde. Bollen, blikjes, conische vormen, licht en donker, de plaats waar de schaduw komt. Rood en geel wordt oranje, blauw en geel groen, rood en blauw paars en bruin krijg je door het mengen van de drie primaire kleuren. Ik ontdekte wat optisch mengen inhield en over meer of minder verzadigde kleuren.
En o, wat was het saai.
Complimenten gaf Le Roy maar zeer zelden. Aan het eind van het schooljaar kregen we de tekeningen terug. Ik bladerde het stapeltje door, geknoei waar het gebrek aan plezier duidelijk af was te lezen. De jongen achter mij kreeg het advies naar de kunstacademie te gaan. Enigszins spottend nam de jongen – zijn naam ben ik kwijt – het compliment in ontvangst. Hij had een zeven, ik een vijf en thuis belandden de tekeningen in het vuilnisvat.
Twee jaar heb ik les van hem gehad. Het zou nog jaren duren voor ik besefte hoeveel ik heb geleerd in dat grote lokaal met op de vensterbank de enorme verzameling wijnflessen in allerlei schakeringen groen die precies zó moesten staan en niet anders en waar wij dus met onze fikken af dienden te blijven.
Huub Mous
16 januari 2008 op 12:35
Mooi deze aanvulling. Le Roy is een strenge leraar geweest, dat heb ik ook begrepen uit andere verhalen van ex-leerlingen. ‘Le Roy c’est moi’ , schreef hij elk jaar als eerste op het bord als hij een nieuwe klas voor zich kreeg. Dat strenge imago had hij ook in Heerenveen waar hij wel eens gekscherend ‘De Billy Graham van het onkruid’ werd genoemd. Hij was ook altijd zeer precies. Dat van die geordende verzameling wijnflessen klopt. Ze zullen zodanig geordend zijn geweest dat er een optimale mate van complexiteit was ontstaan. Daar moest je met je vingers van afblijven. Zo heeft Le Roy ook de 3000 stuk glaswerk geordend die hij thuis heeft staan. Ook zijn gereedschap in de Ecokathedraal lag altijd heel precies geordend. Daar mocht niemand aankomen.
Overigens werd zijn methode van lesgeven door de meeste leerlingen hogelijk gewaardeerd. Anders kan het niet zo zijn dat hij jaren achtereen door ALLE leerlingen tot beste leraar van de school werd gekozen. Dit tot verdriet van de schoolleiding die hem in de laatste jaren liever kwijt dan rijk was. Le Roy was eind jaren zeventig inmiddels beroemd in haast heel Europa. Hij gaf lezingen aan universiteiten en voerde grote projecten uit. Het beeld van de beroemde ‘wide tuinman en goeroe’ ging wringen met zijn directe werkomgeving op school. De schoolleiding ging hem kleineren. Zo moest hij na bijna dertig jaar lesgeven surveilleren op het schoolplein. ‘Pleindienst’ heette dat. Le Roy weigerde, wat hem uiteindelijk een berisping opleverde van de staatsecretaris van onderwijs.
In 1977 beëindigt hij – in overleg met de schoolleiding – zijn leraarschap. Hij krijgt eervol ontslag na 28 jaar les gegeven te hebben. Hij is dan 53 jaar en heeft hele generaties leerlingen in Heerenveen voor zich gehad onder wie Willem Duisenberg en de huidige gedeputeerde van cultuur van Fryslân, die hem zaterdag a.s. de prijs uitreikt: Jannewietske de Vries. Wie weet haalt zij bij die gelegenheid ook wel enige herinneringen op aan zijn manier van lesgeven. Zes jaar later – in 1983 – begint hij aan het bouwproces van de Ecokathedraal en negen jaar later – in 1989 – werd Le Roy benoemd tot professor honoris causa aan de universiteit in Braunschweig. Le Roy laat in zijn autobiografie weten dat hij het niet laten kon om ook de schoolleiding in Heerenveen nog even fijntjes van deze eervolle benoeming op de hoogte te brengen.
Johannes
16 januari 2008 op 20:24
God zij dank heeft dit land tenminste nog één eco-kathedraal voortgebracht.
Dank zij de ziener Le Roy.
De rest van het land is, dankzij ons Godvrezende volkje, verworden tot een gribus van industieterreinen, verbonden door turbogras en supermaïs.
Rondom iedere veebedrijf is een uitdragerij ontstaan van machinekerkhoven, dieselpompen, vuilverbrandingsplaatsen, mestvijvers en -silo’s, plasticverwerkende industriën, voedersilo’s en bestrijdingsmiddelentanks en andere rotzooi.
Reinder
13 april 2008 op 12:40
Van 1971 tot het einde van zijn docentschap les van Le Roy gehad. Kan nog steeds niets anders tekenen dan blokken. Als econonoom niet eens zo onhandig.
Als tekendocent heb ik hem nooit hoog op gehad. Zijn verhalen daarentegen over zijn fietstochten in Frankrijk en (af en toe) over tuinen vond ik wel interessant.
Ik heb genoten van mijn opleiding (1971-1979) aan de RSG van Heerenveen, maar het stikte van de ego’s op deze school. Le Roy was er een van. Dat alles maakte voor ons een leuke sfeer, maar nu ik zelf docent ben begrijp ik ook dat als men weigert om ook die taken te doen die niet direct met je vak, maar wel met de functie te maken hebben, je op een kleine groep welwillende collegae veel druk legt. Dat is de mindere kant van Le Roy.
Kortom ik had liever tuinarchitectuur van hem gehad.
Annojo » Blog archief » Onderzoek naar kindertekeningen voor ontwikkelingspsychologie
17 juni 2008 op 09:46
[...] Opvallend is verder de totale chaos van kleuren: paarsgekleurde cirkels als hoofd, vreemdsoortige slungelige groene benen (waarvan de maker me [...]