Een ritmisch totaliteitsbesef

De dood is de ultieme bevrediging van een verlangen naar een toestand waarin je jezelf volledig in kunt vinden. Ik weet niet hoe het komt, maar deze zin kwam in mij op na het lezen van de autobiografie van W. Jos. de Gruyter, ‘Zelfportret als zeepaardje’. De Gruyter (zie foto) was een spiritueel man. Hij was kunstcriticus en auteur van tal van boeken over moderne kunst, maar ook museumdirecteur van het Groninger Museum van 1955 tot 1963 (zie hier), toen hij ‘de Sandberg van het noorden’ werd genoemd. Zijn kunstopvatting was gebaseerd op een mystieke eenheid van natuur en kunst. Hij was gefascineerd door de magische kunst van Indianen, maar ook de Chinese kunst met zijn bezield gevoel voor de vorm vanuit een ritmisch totaliteitsbesef.

Wat de modernen betreft hield hij van de kunst van Mondriaan, Van Gogh en het expressionisme van de De Ploeg en Gerrit Benner, om maar eens wat te noemen. De Gruyter had een zeer brede belangstelling. Zo schreef hij niet alleen over moderne kunst, maar ook over literatuur, muziek, ballet en en de samenhang tussen westerse en niet westerse kunst. Hij was typisch zo’n erudiete kunstkenner die zich engageerde met de late Bildungidealen in de eeuw van het modernisme. Het was de tijd dat de kunst verbonden was met een optimistisch mensbeeld, waarin ethisch humanisme niet zelden samenging met een religieus getint socialisme of een utopische visie op evolutie en geschiedenis.

De Gruyter werd geboren in 1899 in Singapore en groeide op in Indonesië, Nederland en Engeland. Hij leefde gelijk op met de twintigste eeuw totdat hij in 1979 overleed na een bewogen bestaan vol rijke ervaringen maar ook veel innerlijke strubbelingen. Dat begon al in zijn pubertijd toen hij getroffen werd door een psychose die grensde aan de godsdienstwaan. Van die mentale inzinking doet hij uitgebreid verslag, maar ook van zijn nervositeit en zijn voortdurende neiging om in de contramine te gaan. Het boek is te rijk om hier in een paar zinnen samen te vatten. Wat mij vooral intrigeerde waren de passages waarin De Gruyter schrijft over zijn ervaringen tijdens het schrijven zelf. Zo vermeldt hij ergens bijna terloops, dat hij vaak al tevoren zinnen voor zich zag, die hij later zou opschrijven.

Zo kon hij ‘s nachts wakker worden en opeens hele alinea’s voor zijn geestesoog zien verschijnen, zinnen die later ook letterlijk op papier zouden komen. Dat is natuurlijk een vreemd verhaal. Het suggereert dat een tekst – op een bijna occulte wijze – al in zijn geheel in de geest of de ziel van een schrijver aanwezig is, alvorens hij in de creatie of de fantasie ontstaat. De woorden hoeven alleen maar bevrijd te worden, zoals Michelangelo zijn beelden niet als nieuw creëerde, maar verloste uit het marmer, waarin zij tevoren al aanwezig waren.

Dat soort gedachten passen in een premodern of primitief wereldbeeld, waarin de inspiratie via de ziel vanuit de kosmos komt aangewaaid. Alles is er al. Het maken van een kunstwerk is in feite een spirituele vorm van herinnering. Het is niet de nabootsing van een beeld, dat de buitenwereld wordt waargenomen, maar een proces van innerlijke ontkieming dat heel natuurlijk verloopt, bijna als de verlossing bij een bevalling. Kunst komt voort uit de ziel en niet vanuit het reproduceren van een beeld. Dat mag dan een mooie gedachte zijn, hij staat haaks op ons huidige wereldbeeld, waarin er helemaal niet meer zoiets als een ‘ziel’ bestaat. We leven immers in een tijd van het materialistische paradigma, waarin het bewustzijn niet meer is dan een emergent fenomeen binnen de uiterst complexe elektrochemische structuur in het organisch weefsel van hersencellen.

In de kunst blijft soms een gedachte bewaard die haaks staat op ons wereldbeeld. ik moest hieraan denken tien ik gisteren van Sjoerd S. Osinga uit Drachten een mailtje kreeg waarin hij me nogmaals attendeerde op een gedicht van Obe Postma (zie foto), van wie hij ooit op de rommelmarkt het geluid van een gedicht heeft teruggevonden op een 78-toeren plaat. Hij had hiervan al melding gemaakt in een reactie op mijn verslag van de uitreiking van de Gysbert Japicxprijs in Bolsward.

Het gedicht werd voorgedragen door Jo Smit, waarbij hij op de achgtergrond begeleid wordt door pianomuziek. De opname moet rond 1950 zijn gemaakt. Misschien wel in 1947, toen Obe Postma de Gysbert Japicxprijs kreeg. Dat is ook het jaar waarin ik geboren ben. Philippus Breuker, die door de reactie van Sjoerd Osinga op mijn site op het bestaan van de opname werd geattendeerd, heeft deze nu ook op de site van het Obe Postma Selskip laten plaatsen.

Het is een mooi gedicht, dat traag door Jo Smit wordt voorgedragen. Vooral die vertraging in de stem, die nu gedateerd aandoet, draagt bij aan de melancholieke sfeer van de dichtregels die gaan over vriendschap, maar ook over het schrijven zelf. In die zin is het ook een poëticaal gedicht. Vooral de slotregels troffen mij. Obe Postma laat hierin weten dat hij zomaar wat ‘sleauwe’ dingen zegt. Trage, lusteloze, achteloze of zouteloze dingen dus die zomaar in hem op lijken te komen en misschien juist daarom er toe leiden, dat de dichter mensen meeneemt. Omdat die woorden het leven zelf laten voelen, niet opgesmukt als een beeld, maar zoals de ziel het aanlevert. De dichter dicht dus niet naar een beeld, maar vanuit zijn ziel, mijmerend, bijna als vanzelf. Misschien wel vanuit het ritsmich totaliteitsbesef, waar ook W. Jos. de Gruyter over schreef. De woorden bestonden ook al eerder. Alleen het geluid is teruggevonden.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)