Out of the blue

brein.jpg

Na enig zoeken tussen stapels papieren, die ik ooit in een ladenkast heb weggeborgen, vond ik gisteren het essay terug dat ik in de winter van 1969 heb geschreven. Het heeft als titel ‘De vraag en de absurditeit’ en als motto een Arabisch spreekwoord: ‘De enige zin van de mens is de zin die hij zichzelf stelt.’ Het zijn 54 dichtbeschreven vellen papier in een klein kriebelig handschrift. Ik weet nog dat ik het manuscript later in zijn geheel heb uitgetypt, maar dat document is verloren gegaan. Ik heb het nog niet op kunnen brengen om het manuscript te herlezen. Eigenlijk interesseert het me ook niet zo, maar ik vond het een mooi gevoel om het nog eens in handen te hebben. Het roept herinneringen op aan een tijd, dat ik naar mezelf op zoek was en dacht dat ik door diep na denken de zin van het leven in beeld zou kunnen krijgen. Dat is destijds dus niet gelukt.

Eigenlijk was ik op zoek naar de oorsprong van mijn gedachten. Waar komt een gedachte vandaan? Hoe komt het dat een gedachte zomaar in het brein zich aandient? Wie haalt de trekker over? Ben ik dat? Zit er een poppetje in mijn brein die af en toe een gedachte als een soort knikker laat vallen, zodat hij vervolgens gaat rondtollen en andere gedachten als knikkers meesleurt in mijn hoofd. Ik kon me een passage herinneren uit ‘De walging’ van Sartre waar de hoofdpersoon heel precies beschrijft hoe gedachten bij hem opkomen. Ze borrelen naar boven en komen ergens achter in zijn brein naar binnen toe, of naar buiten toe, hoe je het ook maar wilt zien. Dat punt – of bron (?) – waar de gedachten bovenkomen zou even boven het ruggenmerg zitten. De hoofdpersoon had er eigenlijk weinig zeggenschap over. De gedachten kwamen zomaar bij hem op en gingen weer weg. Niet dankzij hemzelf, maar eerder ondanks hemzelf. ‘Malgré moi’, zoals Rimbaud had beweerd.

Zou het zo kunnen zijn, dat ook een vraag als vanzelf opkomt in het brein? Waar komt een vraag eigenlijk vandaan? Is er een soort kortsluiting aan voorafgegaan? Maar wat was dat voorafgaande dan, waar die kortsluiting plaatsvond? Waarom diende de vraag zich aan als vraag en niet als een constatering dat er iets niet klopte? Een vraag zou dus een voorafgaande gedachtegang veronderstellen, maar soms lijkt een vraag zomaar uit het niets te komen. ‘Out of the blue’. ‘Malgré moi’. Misschien ligt de oorsprong van een vraag wel in het onbewuste. Maar hoe komt hij daar dan uit te voorschijn? Zat hij daar al een tijdje? Wat was de ‘trigger’ die de vraag deed wegschieten uit zijn schuilplaats buiten het bewustzijn? Als je zo doorredeneert beland je uiteindelijk nergens.

Heeft een vraag eigenlijk wel een interne oorzaak? Als dat niet zo is, wie stelt de vraag dan eigenlijk? Is dat iets of iemand in of buiten mij? Dat lijkt mij een onzinnge optie. Ik ben immers baas in eigen brein. Er zit geen poppetje in mijn brein. Het poppetje met de knikkers, dat ben ik zelf. Maar als de vraag wél een oorzaak heeft, dan heeft een vraag ook altijd een antwoord, want het is dan louter een zaak van oorzaak en gevolg die zich aandient als vraag en antwoord. Het zou slechts een kwestie zijn van even doorredeneren en je hebt het antwoord op de vraag. Een vraag is dan het gevolg van een tijdelijke verstandsverbijstering die door het denken kan worden hersteld. Maar is dat wel zo? Heeft elke vraag eigenljk wel een antwoord? Al dat zo is, dan zou elk antwoord al in de vraag besloten liggen. Een vraag zou slechts een tussenstap zijn in een gedachtegang, die opzich zelf weer vragen oproept. Zo ontstaat dus een eindeloze gedachtegang.

Februari 1969. Samen met Hans Kraan sprak ik met Hermine Heijermans op een verwarmd terras op het Rembrandtplein. Waarover dat gesprek ging weet ik niet. Zij woonde in de Rivierenflat in Rivierenbuurt aan een laan die vroeger de Rivierenlaan was en sinds 1964 president Kennedylaan ging heten. Wij zijn ook nog bij haar thuis geweest. Waarom ik weet het niet meer. Ik kwam in die tijd wel meer bij mensen thuis, Simon Vinkenoog, Ton Regtien, maar ik weet bij God niet meer wat ik met al die mensen besproken heb. Ik was wat je noemt op drift en liep achter alles aan wat bewoog. Mijn gedachtegang kende geen eind maar verliep van vraag naar vraag naar vraag…. Ik liep door de stad en dwaalde door de parken, het Oosterpank, het Vondelpark, het Flevopark… Daar in het Flevopark heb ik vlak na zonsopkomst – waarom weet ik niet – nog eens een hele vracht papier in het water gegooid. Een activiteit die ik mijn hele leven heb bij tijd en wijle heb herhaald: weggooien. Bewaren heeft immers geen zin. Het essay over de vraag is een van de weinige teksten uit het verleden die ik nog in mijn bezit heb.

Later, veel later zelfs, ontdekte ik, dat ik bij al dat denken over de vraag in een cirkelredenering was beland. Ik was een grammofoonplaat waarvan de naald in een groef was blijven hangen. Ik maakte een fundamentele denkfout. Je kunt niet over je eigen brein praten in termen van oorzaak en gevolg. Wat in je hoofd plaatsvindt, of dat nu emoties zijn of gedachten, of het een vraag is of een antwoord, het zijn gebeurtenissen die plaatsvinden in het brein. That’s it. Het gebeuren van dit soort dingen in het brein is overigens heel iets anders dan het gebeuren van dingen in de werkelijkheid buiten het brein. Die twee soorten gebeurtenissen mag je niet met elkaar gaan verwarren. Sterker nog, het is zelfs de vraag of er wel een scherpe scheidslijn is tussen wat binnen en buiten het brein gebeurt. Zodra je in die dualistische termen gaat denken kom je uit bij het poppetje dat de knikkers laat rollen. Maar waar zit het poppetje in het poppetje? Gylbert Ryle heeft het heel simpel verwoord:

‘De vraag: ‘Wat doet de kogel uit de loop vliegen? Wordt op juiste wijze beantwoord door: De uitzetting van gassen en de patroon’; de vraag ‘ wat doet de patroon ontbranden?’ wordt beantwoordt met verwijzing naar de klap op het slaghoedje; en de vraag:’Hoe komt het dat door het overhalen van de trekker de pen op het slaghoedje slaat?’ wordt beantwoord door een beschrijving te geven van het mechanisme van veren, hefbomen en pallen tussen de trekker en de pen. Dus als gevraag wordt: ‘Hoe brengt mijn geest mijn vinger ertoe om de trekker over et halen?’ dan ligt in de vorm van de vraag de veronderstelling opgesloten dat er nog een uit schakels bestaand proces in het spel is, met nog eerdere spanningen, ontspanners en ontladingen, maar dit keer van ’geestelijke aard’. Maar welke handeling of werkzaamheid ook wordt aangevoerd als eerste stap van dit veronderstelde ketenproces, de uitvoering ervan moet op precies dezelfde manier worden beschreven als we in het gewone leven het overhalen van de trekker door de scherpschutter beschrijven. We zeggen namelijk eenvoudig’ Hij deed het’ en niet ’Hij deed of onderging iets anders waardoor het veroorzaakt werd.’ ( Gilbert Ryle, The concept op mind, 1949)

en dan nu de beelden

19 Reacties »

  1. philippus breuker

    9 september 2007 op 11:36

    Soms heb je wat je noemt een helder idee. Dat lijkt me een willekeurig tot stand komende verbinding tussen dingen die je bezighouden. Is een vraag niet hetzelfde?

  2. sjoerd

    9 september 2007 op 12:50

    ” Ik filosofeer graag over zonnen, sterren, hemelrijk…….,
    maar eveneens verbaast mij de uitslag Ajax-Elinkwijk”.

    Nieuwe maar toch zeer interessante informatie op dit terrein van Margriet Sitskoorn: Het maakbare brein.
    Uitgeverij Bert Bakker. ISBN 90-351-3036-7

  3. Huub Mous

    9 september 2007 op 13:17

    @ Philippus Breuker

    ‘Een willekeurig tot stand komende verbinding tussen dingen die je bezighouden’, dat is volgens mij zoiets als serendipiteit. Ik ben daar gevoelig voor. Ik probeer altijd zoveel mogelijk willekeur toe te laten, vooral bij het schrijven. Toen ik vanochtend aan dit log begon, wilde ik eigenlijk over heel iets anders schrijven, maar opeens herinnerde ik mij het boek van Ryle – waarom weet ik niet – ik liep naar de boekenkast, pakte het eruit, sloeg het open en zag deze passage met een dikke potloodstreep en een uitroepteken in de marge. Als zoiets gebeurt, dan stap ik daar niet vanaf. Ik koester dat soort momenten. Ik had een dionkerbruin vermoeden dat deze passage van Ryle iets de maken had met mijn vragen over de vraag. Dus ging ik daarover schrijven.

    Waar het me in feite omgaat is de wonderlijke willekeur waaruit een vraag voort kan komen. Ook een antwoord op een vraag komt soms zomaar uit de lucht vallen. Je zou het de contingentie van het denken kunnen noemen. Het is een gedachte die zich ontrekt aan de vraag of een gedachte zinvol is of niet. Als iets zomaar in je opkomt of je legt zomaar een verbinding, waardoor een zinvol verband ontstaat, dan is de toevallige oorsprong van die gedachte moeilijk te rijmen met het zinvolle dat in het gelegde verband naar voren komt. Uit volstrekte willekeur kan dus zin en betekenis ontstaan. Het kan zijn dat die zin, betekenis of het verband al latent in je brein aanwezig was, maar opeens – naar aanleiding van iets wat helemaal geen causale aanleiding in logsiche zin hoeft te zijn, gewoon gebeurt, dat wil zeggen: zich in het bewustzijn manifesteert.

    In zijn boek ’De weg van de wetenschap, een leven vol verwondering (1984) beschrijft de moleculair bioloog S.E. Luria hoe hij ooit eens op een idee is gekomen dat hem later de Nobelprijs opleverde. Dat idee kwam in hem op tijdens een cocktailparty, toen zijn blik viel op een gokautomaat die in de hoek van de ruimte stond opgesteld. Dat is een wonderlijk fenomeen, dat veel wetenschappers herkennen en dat zich lijkt te ontrekken aan elke logica. Wat doet een briljante gedachte ontstaan? In dit geval ging het om het antwoord op een vraag die wellicht deep down in het brein van Luria rondspookte, en opeens door een absurde confrontatie met iets in de werkelijkheid, naar buiten kwam. Het verschijnen van het antwoord kwam door een absurde, bijna surealistische verbinding. De ontmoeting tussen Luria en de gokautomaat op een coctailparty heeft veel weg van de bekende topos uit het surrealisme: Lautréamonts ‘ontmoeting van een paraplu en een naaimachine op en operatietafel. Dat verband is volslagen irrationeel en toch kwam er bij Luria een hyperrationeel nieuw verband uit voort dat zelfs een Nobelprijs waardig was. Ra ra hoe kan dat?

    Misschien aardig om de slotregels van mijn essay over de vraag en de absurditeit hier tot slot nog even te citeren. Niet dat dit betoog een Nobelprijs waardig zou zijn, integendeel. Maar de woorden hebben op een wonderlijke manier iets van doen met de willekeurige, soms zelfs absurde oorsprong van een vraag of een antwoord.

    ‘Als we nu afzien van de vergelijking met betekenis, wanneer zeggen we dan dat iets zin heeft? Of wanneer zeggen we dat iets zinloos is? Als iets altijd nog zichzelf als zin zou kunnen hebben, kan het nooit volledig zinloos zijn. Naast ‘zin als verwijzing naar iets anders’ en ‘zin als verwijzing naar zichzelf’, moet er nog een derde mogelijkheid zijn: de ervaring van een volstrekte zinloosheid, de absurditeit, waaruit de vraag naar zin is voortgekomen. Maar in die mogelijkheid ligt misschien ook de paradox besloten van een zekere onzekerheid, als het buitenste binnen van het redelijk denken, waarbinnen ook de vraag zelf absurd wordt. En misschien zelfs ligt er achter de grenzen, die door het licht van het heldere denken zijn gesteld, een nieuw territorium van leven in absolute vrijheid door een absolute gebondenheid.’

  4. R.R.

    9 september 2007 op 13:23

    Bas Haring was op de tv, net nadat jij de stukje had gepubliceerd. Deze keer trad hij voor mij acceptabel op. Hij werd ge-interviewd over zijn nieuwe boek, waarin hij diverse mechanismen beschrijft waar wij allemaal, mensen, eenden, enz., aan onderworpen zouden zijn. Om je van die onderwerping los te maken moet je van goede huize zijn. Authentiek kunnen denken, bijv. individualist, kunstenaar. (Dus door authentieke Friese kaas te maken of te propageren red je het niet.)
    Twee zinnen in jouw stukje waar die mij opvallen zijn:
    1. Wegschieten uit een plaats buiten het bewustzijn.
    Vraag: Waar zit je bewustzijn ?
    2. Je bent geen baas in eigen brein.
    Vraag: Wie, beter, wat dan wel, is de baas ?

  5. Huub Mous

    9 september 2007 op 13:39

    1. Wegschieten uit een plaats buiten het bewustzijn.
    Vraag: Waar zit je bewustzijn ?

    Het bewustzijn heeft geen plaats anders dan het brein waarin het zich manifesteert, althans volgens de huidige stand van wetenschap. De wetenschap is gaan spreken over de eenheid van lichaam en geest, over het bewustzijn als een biologisch product, en uiteindelijk over het bewustzijn als een complex dynamisch systeem, dat alleen nog van buitenaf herkenbaar is, maar niet meer van binnen uit te definiëren valt. Weinig kan dan nog de stelling weerleggen dat ook dàt systeem uiteindelijk maakbaar is. Het is op zijn minst al denkbaar, zo niet in een computer, dan toch zeker in een cel. Hoe dan ook er is (nog) geen bewustzijn denkbaar zonder een organische of materiele beperking van een aldan net kunstnatig brein. Dat is de plaats van het bewustzijn. Maar toch is dat maar betrekkelijk. Hoe ziet het immers met een fenomeen als telepathie? Bij zijn definitie van kunstmatige intelligentie heeft Turing anvankelijk plaats willen inruimen voor de telepathie. De door de mens te bouwen denkende computer, moest volgens Turing ook telepatisch kunnen zijn. De gedachte dat bewustzijn mogelijk een kwantumproces zou kunnen zijn laat ruimte voor ‘een plaatsloos bewustzijn’ dat niet aan de wetten van tijd en ruimte in de zin van Newton gebonden is.

    2. Je bent geen baas in eigen brein.
    Vraag: Wie, beter, wat dan wel, is de baas ?

    Dat is nu precies de vraag waar het om draait. Een vraag op het scherp van de snede. Waar ligt de grens tussen vrijheid en determinisme. Tussen wil en willekeur? Ik zou het niet weten.

  6. R.R.

    9 september 2007 op 13:39

    Ik haal de volgende zin uit jouw reactie hierboven:
    “Uit volstrekte willekeur kan dus zin en betekenis ontstaan.”
    Direct na het begin van tijd was er volstrekte willekeur.
    Jouw mechanisme zorgt er nu voor dat jij vindt dat er zin en betekenis zijn ontstaan.

  7. Huub Mous

    9 september 2007 op 13:56

    @ RR

    Dat is een variant op het het anthropisch principe. ‘Wat we verwachten waar te nemen wordt beperkt door de voorwaarden di noodzakelijk zijn voor onze aanwezigheid als waarnemer’ (Brandon Carter, 1974). Waarom gelden de natuurwetten die we kennen? Het antwoord zou zijn: OPDAT wij bestaan. Die natuurwetten en natuurconstanten zijn zodanig ontstaan (gecreëerd?) OPDAT wij tot bestaan zijn kunnen komen.

    Dat zou zo kunnen zijn, maar dat laat mijn vraag onverlet: hoe kunnen vragen en antwoorden opkomen uit het absurde en het ongerijmde ?

  8. R.R.

    9 september 2007 op 14:40

    Een poging.
    Echte natuurwetten zijn van een ander, zeg maar hoogste niveau. En dat komt niet door ons, de mens. Zo is het. Die wetten zijn er direct nadat alles begon.
    Maar dan komen wij geleidelijk aan op de proppen en wij gaan dan natuurwetten formuleren met onze mogelijkheden en ons vocabulair.

    Uiteraard zijn wij een produkt van de echte natuurwetten.
    Waarom de constanten in onze natuurwetten zo zijn dat het leven er hier zo uit ziet ?
    Bij andere constanten zouden wij niet kunnen bestaan zoals wij nu zijn en die wereld dus ook niet kunnen “waarnemen”.
    Onze vragen en antwoorden zijn ook een nevenprodukt van onze eigen evolutie. Ze zijn even “absurd en ongerijmd” als wij zelf zijn.
    Maar deze vragen en antwoorden kunnen moeilijk zo absurd en ongerijmd worden dat zij ons evolutionaire voortbestaan bedreigen. Want dan had “de evolutie” ons dat pad al laten gaan.
    Het zijn dus hooguit uitzonderingen die tijdelijk de meest levens-bedreigende vragen stellen. Want dat probleem lost zich dus zelf op.

  9. Huub Mous

    9 september 2007 op 13:48

    @ Sjoerd

    Bedankt voor de tip.

    Je zult het niet geloven, maar toen Toon Hermans op tv kwam met die act over Ajax- Elinkwijk – het was op een zondagavond ergens in 1958 – had ik net ’s middags de wedstrijd Ajax-Elinkwijk gezien in het Ajaxstadion. Humphrey Meinals speelde mee bij Elinkwijk. Alsook ‘Beertje’ Kreijermaat die later naar Feijenoord zou gaan. Piet Kraak stond bij Elinkwijk op doel. Hij brak in die wedstrijd zijn been. Ze hadden al twee keer gewisseld dus ging Kreijermaat op doel. Elinkwijk verloor uiteindelijk maar speelde heel verdienstelijk. De uitslag weet ik niet meer jammergenoeg. Ik dacht 2-1 of 3-1.

  10. Huub Mous

    9 september 2007 op 15:01

    We komen wat in ander vaarwater terecht, maar dat geeft niet. Ik wil graag reageren op de volgende zinsnede: ‘Maar deze vragen en antwoorden kunnen moeilijk zo absurd en ongerijmd worden dat zij ons evolutionaire voortbestaan bedreigen. Want dan had “de evolutie” ons dat pad al laten gaan.’ Hier wordt de evolutie als een soort Grote Regulator ingevoerd die alle tijd van de werld heeft. Misschien is hij wel een substituut voor God, zoals in de negentiende euw voor veel mensen geschiedenis en evolutie de plaats van God gingen innemen. Als God niet meer bestaat – of niet meer ingrijpt en de geschiedenis en de evolutie op zijn beloop laat – dan zijn we overgeleverd aan de wetten van evolutie en geschiedenis. Nu denk ik niet dat de geschiedenis wetten kent, al zijn er mensen die dat hebben gedacht ( Spengler, Toynbee). Toch kun je jezelf de volgende vraag stellen. Is de wereld een ‘organisch universum’, waar zelfs de geschiedenis deel van uitmaakt, of is de mens tot objectieve kennis en beheersing van de wereld in staat? Die vraag heeft te maken met een probleem dat eigen is aan het fenomeen ‘tijd’.

    Het probleem heeft van doen met de natura naturans van Spinoza, als oergrond van de wordende de scheppende natuur zonder doel of eind, tegenover de natura naturata als de reeds geworden of gecreëerde natuur in de modificaties van wat we om ons heen zien als de veranderlijke dingen. Van de scholastiek tot de romantiek hebben filosofen geworsteld met dit probleem, dat niet alleen de kern raakt van de werkelijkheid, maar ook de relatie tussen het subject en de wereld. In onze tijd van de techniek, die de wereld niet alleen ‘maakbaar’ maakt. maar ook het bewustzijn van de mens onomkeerbaar verandert, komt het denken over de tijd in een ander licht te staan. Als een soort voortdurende frictie tussen vrijheid en verstarring komt het probleem van de tijd in het denken van onze tijd naar voren. Een telkens weer terugkerende cyclus van opkomst, bloei en verval zo zag Toynbee de geschiedenis. In dat opzicht zijn Bergson en Toynbee elkaars tegenpolen. De één ziet de natuur als een continue en onomkeerbare stroom, waarin al het leven is gevat, de ander daarentegen ziet de geschiedenis als een grafische weergave van een golfbeweging, waarin beschavingen elkaar afwisselen volgens een ijzeren wet, die bijna door Darwin bedacht had kunnen zijn: opkomst, bloei en verval. Dat is een ruimtelijke opvatting van de tijd. De tijd wordt bij Toynbee hier een ‘ding’, een begrip dat haaks staat op de ‘duur’ van de tijd zoals Bergson die zag.

    De tijd als duur is per definitie beweging, zo stelde Bergson. De duur is niet iets wat deelbaar is, maar een zich voortstuwend psychisch proces. Het is geen ding maar een voortgang. De duur is zelfs de grondstof, waaruit niet alleen het bewustzijn is gemaakt, maar ook de alom waar te nemen levenskracht (élan vital) die de oorzaak is van een eeuwig worden van telkens iets anders, iets nieuws. De duur was voor Besgon ook de grondvoorwaarde voor alle creatieve processen (l’évolution creatice). Bergson was dan ook primair de filosoof van de verandering, de beweging, het eeuwige gebeuren, het onvoorspelbare. De theorie van de menselijke kennis was voor hem onlosmakelijk verbonden met de theorie van het leven. Met instinct, intuïtie en verstand borduurt de mens voort op de eeuwig wordende ondergrond van de natuur. De ratio is dan ook niet een domein op zich, maar dient altijd teruggeplaatst te worden in een algemene theorie van het leven zelf en daarmee in de stroom van de tijd. Kennistheorie en levenstheorie zijn voor Bergson dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het biologische en het historische vloeien ineen. Als in een cirkelgang moeten ze elkaar blijven voorstuwen, maar die cirkelgang heeft geen plan, richting of doel. De levensfilosofie van Bergson kent geen determinisme.

    Toynbee daarentegen is in het voetspoor van Spengler op zoek gegaan naar de vaste ontwikkelingswetten van de geschiedenis, waarbij de tijd niet meer als duur wordt opgevat. De tijd wordt door Toynbee ‘verruimtelijkt’. Ze wordt een schema, een grafiek, waarin je niet alleen het verleden, maar zelfs de toekomst kunt aflezen. Zo werd de tijd weer een ‘ding’ in plaats van een ‘fluïdum’ of en ‘stroom’. De tijd viel bij Toynbee ten prooi aan de hoofdwet van de westerse wetenschap: ‘Weten is meten’. En juist daar wilde Bergson niets van weten. Bergson wilde de tijd als duur redden uit de klauwen van deze, in wezen materialistische opvatting van de werkelijkheid. Toynbee smokkelde de tijd als meetbaar ‘ding’ weer het domein van de geesteswetenschap binnen. Maar er is een kloof tussen de tijd van de ratio en de tijd van de geest. Hij deed alsof de geschiedenis een vorm van natuurkunde is, een exacte wetenschap waar je wetten kunt opstellen die voorspellingen in situaties die herhaalbaar zijn. We weten niet hoe de evolutie zal gaan, net zo min dat we weet hebben van paden die de evolutie wel of niet had kunnen gaan. De tijd is immers per definitie niet herhaalbaar, ondanks het eeuwige gezegde dat ‘l’ histoire se répète’.

  11. sjoerd

    9 september 2007 op 15:04

    Met het aanhalen van Toon Hermans doelde ik op de onmacht die voortvloeit uit sommige vragen. Ik herinner er aan dat het met de hoogleraar functieleer en psychologie,
    Piet Vroon dus, uiteindelijk niet goed is afgelopen.

    Toch een paar citaten (uit Wolfsklem):

    ” Narcissus wil weten wat hij is, maar door naar zichzelf te kijken is hij niet meer in staat er te zijn.”
    en
    ” Ons intellect is niets vergeleken met het verstand dat een snee in de vinger repareert of dat hart en ademhaling gaande houdt.”
    en
    ” De menselijke geest als iets unieks en persoonlijks bestaat niet. Wat bestaat, zijn talloze processen die naamloos door ons heen trekken en die nergens op zijn gericht. Tot overmaat van ramp is ons zelfbewustzijn een vloek die over ons is uitgestort: het zorgt ervoor dat we elke dag opnieuw voor de afgrond staan van alle zijn, waarvan we niets begrijpen. In deze visie is het enige bijzondere van ons bestaan de eenzaamheid. We zijn slechts een stukje natuur, maar in dat stukje stelt de werkelijkheid zichzelf vragen. Onbeantwoordbare vragen, want de geest weet zelf niet wat de geest is, de materie weet zelf niet wat materie is.
    Sterven is slechts het vallen van een herfstblad, waarna onze ogen zich richten naar het oneindige.”

    Daarom misschien toch eerst maar even naar Ajax-Elinkwijk?

  12. Johanneke

    9 september 2007 op 15:19

    Even rust jongens. Ga maar even buiten spelen.

    Kijk eens wat een bizonder leuk particulier initiatief:
    een reeks filosofie lezingen in Workum !
    http://www.workum.nl/?cat=actueel&sub=agenda&item=1005&type=oud&taal=nl

  13. Huub Mous

    9 september 2007 op 15:34

    @Sjoerd

    Elinkwijk bestaat niet meer, althans niet als profclub. Ze is samen met DOS en Velox gefuseerd tot FC Utrecht, ik dacht rond 1970. Elinkwijk had een mooi schirt: blauw en wit. Toon Hermans koos natuurlijk Elinkwijk, omdat het zo mooi rijmt op hemelrijk. Maar Elinkwijk op zich zelf was ook wel wat. Het was als club een outsider. Hert Klein Duimpje van de Eredivisie, in die zin is de naam goed gekozen. Het heeft de lading van Lutjebroek, Tietjerkstradeel, Katmandu…een non-plek op de kaart. Het is grappig hoe namen soortnamen kunnen worden, in onze huidige Mickey Mouse competitie zijn er eigenlijk geen echte underdogs meer. De Graafschap,. RBC, Exelsior, Heracles, Volendam… maar dat zijn meer clubs die voortdurend heen en weer pendelen tussen ere- en eerste divisie.

    Elinkwijk speelde altijd onderin, maar degradeerde nooit of vrijwel nooit. Door Ajax tegenover Elinkwijk te plaatsen creëerde Toon Hermans het grootst mogelijk contrast dat destijds denkbaar was. Het gad eeen extra lading aan de zin, omdat je natuurlijk moeilijk kunt discussieren over en wedstrijd waarvan de uitslag haast bij voorbaat vaststaat. Doe te kiezen voor Ajax- Elinkwijk benadrukte Toon Hermans de nutteloosheid van het filosoferen. Of dat nu over de sterren of het hemelrijk gaat, het leidt nergens toe, het is gewoon gezwam in de ruimte.

    Die gedachte herken ik ook een beetje bij Piet Vroon. Ik vond ht een tragsich denker. Ik heb een paar boeken van hem gelezen en ik was telkens weer verrast door zijn brede kennis, maar hij had ook iets fatalistisch. Volgens mij is het geen toeval dat hij op zijn tragische wijze aan zijn eind is gekomen. Vlak voor zijn dood zag ik hem nog op tv en ik dacht: het gaat niet goed met die jongen. Nog geen maand later was hij dood. Hij leed aan paranoia en kreeg steeds meer waanideeën die onder meer betrekking hadden op de zangeres Fay Lovsky. Achteraf deed hij me een beetje denken aan John Nash, die Amerikaanse geleerde die aan waanideen ging lijden, maar desondanks toch de Nobelprijs binnen haalde. Slvia Nash schreef er een prachtig boek over ‘Een schitterend brein’ dat ook is verfilmd, Misschien zou er ook nog eens een film over het leven van Piet Vroon genaakt moeten worden. Een psycholoog met een grote doodsdrift en een hang naar gevaar. Een wankelend leven tussen waanzin en genialiteit. Het zou en kaskraker worden, dat weet ik welhaast zeker.

    Zie Piet Vroon bij Zomergasten

  14. R.R.

    9 september 2007 op 16:40

    Algemeen. De draad. Het is eigenlijk niet goed mogelijk om initiator, discussiant en moderator te zijn.
    Een aantal opmerkingen n.a.v. het voorgaande.
    Wat ik wil zeggen is, dat ik denk, dat wezens die zich in de zin van de evolutie contra productief gedragen bijv. via absurditeiten en ongerijmdheden, geen groot nakomelingenschap kunnen verwachten.
    Ik heb er geen probleem mee om de onvoorstelbare achtergrond(en) van heelal, evolutie en natuur, tijd samen te vatten in het woord God.
    De evolutie, de natuur, de tijd etc.: een abstract iets wordt meer gepersonifieerd, daar doe ik liever niet aan mee, als dat enigszins mogelijk is. Soms zijn er ook kwalijke verschijnselen, zoals (bij)geloof, bijv. Moedertje natuur of “de geschiedenis kent wetten”. Zelfs “de zee heeft genomen” klinkt voor mij meer poëtisch dan redelijk.
    Over tijd heb ik mij geen bijzondere gedachten meer eigen gemaakt sinds het lezen van het boekje: Mr. Thomkins in Wonderland, dertig jaar geleden. In dit boek werd een wereld beschreven met andere waarden voor enkele natuurconstanten. Voorbeeld: Een reizende is jonger dan zijn leeftijd genoten die op dezelfde plaats blijven.
    Het laatste citaat van Piet Vroon past mijns inziens uitstekend bij deze uitwisseling van gedachten.
    Gelukkig, hij had ervoor doorgeleerd om het zo te kunnen zeggen.

  15. Huub Mous

    9 september 2007 op 16:46

    En nu nar Frits van Turenhout met de voebaluitslagen:

    NEC – NAC     nullll – nullll

  16. sjoerd

    9 september 2007 op 16:51

    Mijn citaat van Toon Hermans diende i.c. als metafoor.
    Van voetballen weet ik niks, maar nu interfereert het wel weer lekker met de geëntameerde discussie, zoals ook de impressievan de persoon van Vroon opeens interfereert met de relevantie van diens onderzoek.

    Nu kom ik ook niet zo regelmatig bij de dokter, zodat mij
    Privé, Story en Weekend zijn ontgaan in verband met Fay Lovsky (wel vind ik dat ze haar oksels tijdig moet scheren.)
    Het gaat mij om te vraag, of we onze adolescentie moeten cultiveren of moeten uitgaan van het werk van Vroon dat zeer uitgebreid geannoteerd is. Daarbij komt, dat zijn werk wonderwel aansluit bij het werk van eerdergenoemde Sitskoorn, en bovendien (voorlopig) antwoord geeft op terechte vragen.

    Misschien zetelt de wijsheid in Workum?

  17. Huub Mous

    9 september 2007 op 17:14

    De laatste fase van zijn leven werd getekend door psychische problemen. Dat bleek bijvoorbeeld toen hij eind 1997 te gast was in het televisieprogramma Spijkers van Jack Spijkerman, waar hij woedend uitviel tegen medegast Emile Ratelband. Door de manier waaróp hij zich kwaad maakte werd misschien duidelijk dat hij zelf worstelde met psychische problemen. Met zijn kwaadheid probeerde hij duidelijk te maken dat fobische patiënten niet genezen door de sessies van Ratelband. Op 14 januari 1998 werd Vroon dood in zijn huis in Culemborg gevonden. Het is onduidelijk of zijn overlijden een bewuste keuze was, of dat er sprake was van een ongelukkige combinatie van pillen en drank. Hij liet twee kinderen en een vrouw achter.

    [Bron: Wikipedia]

    Ik heb het motto van zijn boek ‘De tranen van de krokodil’ er nog eens op nagezocht. Het luidt als volgt:

    ‘Wat is de mens? Een moment van zwakheid, een prooi van het moment, een speling van het lot, en verder slijm en gal.’

    De woorden zouden van Aristoteles zijn, maar dat betwijfel ik ten zeerste. Volgens mij stammen ze op zijn vroegst uit de zestiende eeuw toen de melancholie toesloeg en de mens voor het eerst echt somber werd over zijn eigen lot. Vergelijk de woorden van Shakespeare:

    “Life is but a walking shadow, a poor player/That struts and frets his hour upon the stage/ And then is heard no more: it is a tale/Told by an idiot, full of sound and fury,/ Signifying nothing.” (Macbeth, V.5)
    zie en luister 

  18. sjoerd

    9 september 2007 op 17:53

    In 1992 kwam “Wolfsklem” gereed. Over de evolutie van het menselijk gedrag.

    Dat was dus 5 jaar nadat hij bij Spijkerman getergd werd door E. Ratelband. ( Zoals je weet, valt er uit dat soort programma’s weinig of niets verstandigs af te leiden vanuit de leunstoel . ) Zes jaar na gereedkoming van Wolfsklem is hij overleden.

    Het motto van Wolfsklem is van Marguerite Yourcenar:

    “Je lichaam, voor driekwart samengesteld uit water, plus wat aardse mineralen, een handjevol. En in je die grote vlam waarvan je de aard niet kent. En in je longen, altijd weer opgenomen in de borstkas, de lucht, die schone vreemdeling zonder wie je niet kunt leven.”

    Nu ga ik het water met alcohol vermengen.

  19. Huub Mous » Keepers in de jaren vijftig

    23 januari 2010 op 17:18

    [...] schreef ik op 7 september vorig jaar in een reactie op mijn log Out of the blue. Ik moest er gisteren weer even aan denken toen ik op de site van Henk van der Veer een log las over [...]

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)