Over cyberspace en de dood van God

“Niet de inhoud van afzonderlijke statements en beelden breng netwerkkunst voort, maar de uitwisselingen tussen de verschillende soorten input in cyberspace. Preciezer gezegd: cyberspace is het geheel van alle veelvormige interacties die in netwerken plaatsvinden. Cyberspace is een geestelijke ruimte die ontstaat tussen de acterende deelnemers, die zelf alle hun eigen, individuele doelstellingen kunnen hebben. Cyberspace is een ‘consensual hallucination’ zoals William Gibson, de bedenker van de term ‘cyberspace’ het uitdrukte. Cyberspace is de ‘onbekende boodschap’ die ontstaat tussen polen van communicatie, ongeacht de precieze aard van de informatie, die de communicatoren inbrengen in het communicatieproces.

In de cognitieve wetenschap leidde deze zelfde ‘technoia’’ tot het inzicht dat er in ons bewustzijn, anders da de omgangstaal suggereert, geen centrale controlerende instantie zit die alles met alles verbindt: alles verbindt zich zelf met alles. En deze zelforganisatie door connectiviteit voert de autonome onderdelen van ons bewustzijn uiteindelijk tot hun ‘cansensual hallucination’ dat ze onder beheer staan van en centrale instantie, een ik, een machthebber, God. Het is dat proces in een bewustzijn dat de processen waarneemt en beschrijft, waaruit het bewustzijn zelf voortkomt. Het is een voorbeeld van wat Langton karakteriseert als emergent gedrag.

Roy Ascott: ‘De taak van de kunst in de twintigste eeuw was steeds het onzichtbare zichtbaar maken. Nu hebben we de middelen om de ze ambitie vollediger te realiseren. Computer-bemiddelde systemen ontkennen de geestelijke dimensie van de kunst niet. Ze stellen ons juist subtiel in staat deze dimensie uit te breiden. Telematische technologie is in laatste instantie een ‘geestelijke’ technologie, het domein ervan is het menselijk bewustzijn. Cyberspace is de concrete verschijningsvorm van dit telematische, artificiële bewustzijn: de zichtbaar gemaakte bundeling van onzichtbare, elektromagnetische krachten die voortkomen uit plaatsgebonden communicatiepolen.”

(Arjan Mulder en Maaike Post in ‘Boek voor de elektronische kunst’.)

In het bovenstaande citaat wordt een vergelijking getrokken tussen de communicatieprocessen die plaatsvinden in cyberspace en de netwerkstructuur van het menselijk brein. Opvallend is dat gesproken wordt van eenzelfde ‘technoia’ die zowel in cyberspace als in het brein zich aandient. Het woord ‘technoia’ is een neologisme dat binnen de nieuwe mediatheorieën is ontstaan ter aanduiding van een nieuw soort bewustzijn. Binnen die zienswijze zou je ook aan internet een soort bewustzijn kunnen toebedelen.

De belangrijkste parallellen tussen het internet en met het menselijk bewustzijn zijn de interconnectiviteit van de communicatie, het ontbreken van een centrum, de netwerkstructuur, de bundeling van elektromagnetische krachten en het gegeven dat het bewustzijn een product is van een proces dat zichzelf als bewustzijn waarneemt. ‘Telenoia’ is als woord verwant aan het woord ‘paranoia’. Het vermoeden van een soort bewustzijn in cyberspace of in het internet kan een soort zelf-bevestigende waarneming worden. Een paranoïde gewaarwording zelfs. Omgekeerd roept deze constatering de vraag op of ons ‘normale’ bewustzijn ook niet een zelfbevestigende gewaarwording is en dus in feite een vorm van paranoia is.

De emergentie van het bewustzijn – het vanzelf ontstaan daarvan binnen een uiterste complexe netwerkstructuur – zou een vorm van zelfbegoocheling kunnen zijn. We menen dat we ons van allerlei gedragingen van onszelf bewust zijn, maar het meeste wat we doen gebeurt onbewust. Ik kan naar huis fietsen zonder dat ik weet of ik wel voor stoplichten heb gestopt of niet.. De de vrije wil is mogelijk een illusie die door de complexiteit van onze hersenen wordt gecreëerd.

Alles waartoe we besluiten is in feite al binnen het brein besloten op een lager niveau van complexiteit. De bewustwording van dit besluit komt altijd achteraf, waarna de voorgeschiedenis van dit signaal meteen wordt gewist zodat de illusie van autonoom gestuurd gedrag ontstaat. Met dit besef kan een mens echter niet leven, vandaar dat deze wetenschap – eenmaal bewust geworden – ook meteen weer in het onbewuste wordt weggestopt.

Als dit alles waar is komt de vraag; wat betekent dit voor de kunst? Heeft de kunst van het individu nog wel bestaanrecht nu de autonomie van het individu steeds meer door de cognitieve wetenschap en de nieuwe netwerkmedia op losse schroeven komt te staan. Is het fenomeen kunst niet bij uitstek de bekroning geweest van ‘de mythe van de individuele mens’ die in de Renaissance als ‘homo universalis’ werd verheerlijkt. De mens, die in zichzelf de spiegel van het gehele universum ontdekte.

Het artistieke genie werd zo de spiegel van God en het kunstwerk een goddelijke scheppingsdaad in miniatuur. Hoe meer het besef doordringt dat God dood is, hoe meer het creatieve proces van de kunstenaar vergoddelijkt lijkt te worden. Maar deze overcompensatie spat een keer uit elkaar. Het mythysche onderpand van de kunst is bij het faillissement van de hemel verbeurd verklaard. De kleren van de keizer komen pijnlijk in beeld. Of beter gezegd: de kunst staat in zijn hemd. Kunst is een creatieve activiteit van de mens. Niets meer en niets minder.

De mythische zone van de esthetica wordt in de hedendaagse kunstkritiek doorgaans niet alleen ontweken, maar ook zorgvuldig in tact gehouden. Zo wordt kunstkritiek een ritueel dat zich onttrekt aan de verbeelding en daarmee verzandt in steriliteit of zich onttrekt aan het verstand en daarmee ontaardt in getolereerde mystificaties die naadloos aansluiten op ontwikkelingen die zich in de kunst zelf aandienen. Kunst is een selfreferentieel systeem dat zich zelf ook in standhoudt door de biologisch verankerde persistentie ven de mythe. We houden krampachtig de illusie in stand dat er in het kunstwerk sprake is van een hogere – spirituele – ordening van de materie. Maar de materie kent geen hiërarchie van – al dan niet – spirituele ordeningen, alleen een hiërarchie van complexiteiten. Sterker nog, de laatste mythe van de hiërarchie is de hiërachie zelf.

Het wordt hoog tijd om de mythe van het goddelijk individu van de kunstenaar definitief achter ons te laten. Een kunstwerk is een menselijk artefact en geen spirituele ordening van materie. Computerbemiddelende systemen ontkennen inderdaad de geestelijke dimensie van de kunst niet, zoals Roy Ascott beweert. Die geestelijke dimensie is op zich zelf een illusie. Dat is hij ook altijd geweet. De mens zelf word uiteindelijk een klein, maar uiterst complex neuraal netwerkje, dat zo af en toe ‘in kan loggen’ in allerlei tijdelijke stamverbanden, hetzij in de fysieke ruimte, hetzij in cyberspace. In het tijdperk van cyberspace begint de mensheid – of we dit nu leuk vinden of niet – steeds meer de trekken van een gigantische mierenhoop te vertonen.

Tegelijk brengt het summum aan individuele versplintering op macroniveau ook de meest wonderbaarlijke communicatie- en organisatiepatronen voort. ‘De wereld versplintert en wordt één’ – dat is de ultieme paradox, niet alleen van een steeds verder uitwaaierende globalisering, maar ook van alles wat met nieuwe media van doen heeft. Misschien is met de kunst iets vergelijkbaars aan de hand: de kunst dematerialiseert in de materie, ontmythologiseert in de mythe, versplintert in de ordening en vervloeit uiteindelijk tot iets nieuws waar niemand nog weet van heeft.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)