De greate wrakseling

de sterke byldhouwer nou bij it sjen fan syn subsidiaere obelisken
in geweldigen woede sloech him masterlik
blies út syn noasters pneumatysk masterlijk
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn reek
traech wankeljend giene de âlde foarmen op yn walm
de sterke byldhouwer masterik ja
dit is de tiid fan de nije konsepsje skreau er

en hij gie hinne en bifruchte syn frouw

in kunstwurk is in ding dat er forjitten hat stikken te slaen

ik sels ommers (gewoan miedema) ha it ek bisocht dêr bij jimme
se saegen my oankommen de dea yn ’t hert
stiennen spjalten dert ik se oanrekke
kommisjes spatten kwetterjend útinoar
nachspegels gulpten har kostbere ynhâld oer myn oanwizingen
koe net foarsichtiger ferdomme ik

Aldus begint het gedicht ‘De greate wrakseling’ van Hessel Miedema uit 1964. Ik heb het van de week nog eens in zijn geheel gelezen, alsook de uitgebreide discussie die hierover zo’n twee jaar geleden ontvlamde, naar aanleiding van de heruitgave van dit gedicht. Eeltsje Hettinga publiceerde een zeer grondige analyse in de Moanne van december 2004. Zijn conclusie, dat Miedema in dit gedicht het begrip Frysk op meedogenloze wijze ontmythologiseert , gaat mij wat te ver. Het gedicht zou volgens Hettinga een definitieve breuk markeren in het romantisch regressieve streven dat tot dan toe eigen was aan de Friese literatuur. Tegenover de traditie van de christelijke burgerlijke denkwereld, zoals voorheen tot uiting kwam in de poëzie van Douwe H. Kiestra, plaatst Hettinga een vernieuwend dichter als Hessel Miedema die leeft in een wereld van open en relatieve betekenissen.

De taal verwijst immers in dit soort ‘moderne’ poëzie niet meer direct naar een buitentekstuele werkelijkheid, maar er wordt voordurend met taal en teken gespeeld in een telkens verschuivende gelaagdheid van betekenissen en een voortdurende wisseling van perspectief. Inderdaad verschuift het perspectief in ‘De greate wrakseling’ van ‘wij’ naar ‘ik’, van het collectieve naar het individuele, van het mythische naar het triviale, van het diepzinnige en zware, naar het ironische en lichtvoetige. Er vindt een omlag plaats op alle fronten.

Abe de Vries liet in een reactie weten ‘De greate wrakseling’ bij nader inzien meer als een eindpunt, dan als een begin te zien. Met zijn dwingende pretenties ademt het gedicht volgens hem geheel nog de sfeer van de vijftigers met hun mythische oertaal. Het gedicht zou anno 1964 ook allang niet meer vernieuwend zijn geweest. Zelfs Fedde Schurer kon het destijds wel waarderen. Het zou eerder een rare mix zijn van alles wat, een beetje wetenschappelijk jargon à la Achterberg en vooral veel spiritueel modieuze elementen die zo overduidelijk de ‘sixties’ verraden.

Met die laatste constatering ondergraaft De Vries een beetje zijn eerste bewering dat het al gedateerd was toen het verscheen. Het gedicht is naar mijn smaak wel degelijk op de huid van de tijd geschreven. Het getuigt van een overgang van een mythische georiënteerde naar een meer formele en zakelijke esthetica, die zich rond 1960 op allerlei terreinen voltrok. In die zin komt deze vernieuwing misschien wat aan de late kant. Het zou ook in 1959 geschreven kunnen zijn, tegelijk ongeveer met ‘Het stenen bruidbed’ van Harry Mulisch.

Maar ‘De greate wrakseling’ laat ook een nieuwe toon horen. Het ademt de sfeer van ‘de informelen’ in de beeldende kunst, die genoeg hadden van alle zwaarwichtige mythologie van Cobra en ‘de experimentelen’ en terugkeerden tot elementaire schildergebaren zonder vorm of compositie. De sfeer ook van Nul en Zero, het verlangen om helemaal opnieuw te beginnen, af te tellen en terug te keren naar een … ja, naar wat eigenlijk. Misschien wel letterlijk naar het niets, het absolute nulpunt, het witte schilderij, naar de leegte van de kosmos. Een spirituele en vormeloze uitgestrektheid, ver weg van het verleden dat stuk moest. Het gedicht gaat letterlijk over scheppen en vernietigen, over bouwen en breken. Het getuigt van een grote innerlijke woede, en drang ook tot verwoesting ‘Een pastiek is net zo goed als geen plastiek’, zo stond te lezen in een manifest vande Nul-groep in 1961. Miedema schrijft drie jaar later: ‘In kunstwerk is in ding dat er forjitten hat stikken te slaen.’

Alleen al in die ene zin is het gedicht een tijdsbeeld. Het laat een echo horen van de zelfvernietigende machines van Tinguely, die Miedema in 1961 in het Stedelijk Museum had gezien. Maar ook van acties van Misha Mengelberg die piano’s op het toneel aan diggels sloeg. De kunst moest stuk in die tijd. Kapot, kapot en nog eens kapot. Er raasde een storm door de wereld alsof er ergens een vliegende schotel was geland. In die zin is het gedicht het bewijs dat er medio jaren zestig in Friesland een sfeer ontstaat die gelijk loopt met de internationale avant-garde. Eventjes later weliswaar, maar toch. In de kunstuitingen van de Bende van de Blauwe hand klinken vergelijkbare echo’s door van Zero, Nul, Fluxus en de Situationisten.

Het is dan ook de vraag waar de woede van Miedema destijds nu precies op was gericht. De interpretatie van Eeltsje Hettinga lijkt me in dat opzicht wat eenzijdig en vooringenomen. Bovendien is het wat wonderlijk om een gedicht uit 1964 in verband te brengen met deconstructivistische begrippen als ‘intertekstualiteit’ en ‘de ironische persoonsverwisselingen’ die Thomas Vaessens zo kenmerkend vindt voor de postmoderne poëzie. Maar vooral in de oppositie die Hettinga ziet met de Friese boerentraditie van Kiestra gaat hij naar mijn smaak te ver in zijn interpretatie.

Natuurlijk had Miedema op een gegeven moment zijn buik vol van de benauwende mechanismen in het Friese culturele klimaat. Maar dat was meer de aanleiding, dan de inhoud van dit gedicht. Friesland liep opeens voorop, omdat hier de grootse breuk te maken was. Hier was letterlijk het meest kapot te maken. Friesland zat vastgeklemd in een dwingend keurslijf dat bijna vroeg om vernietiging. Dat keurslijf was het bolwerk van gereformeerden en socialisten die het Fries eigene in taal en cultuur als strijdmiddel gingen inzetten tegen de dreigende zedenverwildering van de moderniteit.

Die moderniteit van een jonge generatie kunstenaars en schrijvers getuigde volgens dit culturele establishment van nihilisme, pessimisme, anarchisme, individualisme en een veel te openlijke houding ten aanzien van de seksualiteit. De oppositie tussen Fries (dat wil zeggen de gelijkstelling van Friese taal en cultuur) enerzijds en vernieuwing en experiment anderzijds kwam opeens aan het licht. Dat mechanisme had Miedema vlijmscherp bloot gelegd in zijn analyse van de cultuurnota van De Fryske Kultuerried van 1962, waarin de mantra van het Fries eigene (Friese taal= Friese cultuur) openlijk werd ingezet in de strijd tegen alles wat vies en voos was. Een strijd die vooral in Fryslân zijn beslag moest krijgen. Hier immers waren de onbedorven, conservatieve tegenkrachten nog het sterkst aanwezig.

Fries stond opeens haaks op al het moderne. Dat leidde tot een oorlogsverklaring die tussen de regels van de cultuurnota van 1962 te lezen was: De Tsjerne moest blijven en Quatrebras moest weg. Dat was de verborgen boodschap van deze nota, de dubbele agenda ook van Moeke Faber, die niet voor niets juist E.M Folkertsma had ingehuurd – een aartsconservatieve, christelijke Fries-nationalist uit de gelederen van de vooroorlogse Fryske beweging – om een uiterst tendentieus voorwoord te schrijven voor deze cultuurnota. Hessel Miedema ontmaskerde dit geschrift als een directe aanslag op de vernieuwing en het experiment.

In uiterst rake bewoordingen heeft Miedema zich verzet tegen die benauwde theemutscultuur van Frou Faber en consorten, maar ik vraag me af of ‘De greate wrakseling’ daar een directe neerslag van is. Misschien ten dele, maar zeker niet helemaal. Om zijn antiprovincialistische intenties duidelijk te maken had Miedema dit soort poëtische metaforen helemaal niet nodig. In zijn lezing voor de RONO op 9 september 1964 is zijn analyse klip en klaar. Op dat moment breekt hij definitief de staf over het bedompte Friese cultuurklimaat van die dagen. Friestalige cultuur, zo verklaarde hij, is ten alle tijde een enigszins verlate afspiegeling van wat elders al eerder gaande was.

De Friese literatuur moest daarom gezien worden als een regionale en provinciale literatuur die zich sinds de activiteit van de Fryske Beweging door bewust achterblijven distantieert van wat elders gebeurt in het culturele centrum. In dat opzicht is het Fries dus ook meer een dialect dan en taal. Het was het verhaal van Achilles en de schildpad. Hoe meer de Friezen achterblijven, hoe meer ze zich onderscheiden. De gekoesterde eigen identiteit werd dus ontmaskerd als een kunstmatig in stand gehouden constructie, die alleen overeind kon worden gehouden door voortdurend op de rem te trappen. Alleen een doelbewuste vertraging van de culturele ontwikkeling kan de Friese cultuur (lees: taal) voor de toekomst behouden.

In dat opzicht klinkt die analyse van Miedema opeens weer uiterst actueel. Identeiteit is een gevolg van doelbewuste vertraging. Je hoeft het huidige coalitieakkoord van GS er maar op na te lezen om te beseffen dat er in ruim veertig jaar geen spat veranderd is in Friesland. Integendeel, de handrem wordt tegenwoordig harder aangetrokken dan ooit. Men heeft er nu alleen andere woorden voor. Voor zedenverwildering, nihilisme, anarchisme en pessimisme staan nu ‘de kwalijke invloeden van schaalvergroting en verstedelijking’. Het Friese eigene heet nu ‘de kwaliteit van ruimte’.

Eigenlijk was men in de zestiger jaren veel minder hypocriet dan nu. Mensen als E.M. Folkertsma en Dr. K. de Vries kwamen tenminste openlijk uit voor hun oerconservatieve opvattingen. Iemand als Anita Andriessen beweert tegenwoordig dat ze recht voor de raap opkomt voor de Friese ruimte en het belang van kleinschaligheid, maar in feite preekt ze de passie vanuit eenzelfde behoudzuchtige ideologie, waarin een al te snelle culturele vernieuwing ( lees verstedelijking) als ongewenst wordt ervaren voor het eigene in de Friese cultuur (lees de Friese taal). Remmen om te behouden dus.

Maar nogmaals, wat Miedema laat zien in zijn gedicht ‘De greate wrakseling’ is volgens mij niet direct op één lijn te stellen met zijn tirades tegen het Fries establishment van die dagen. Daarvoor is het gedicht te gelaagd in zijn betekenis, te meerstemmig ook. Het is een wonderlijke polyfonie, die zomaar oprijst uit een wonderlijke tijd. Een hypermoderne klaroenstoot, eenmalig en uniek. Alles wat er daarna over gezegd en geschreven is doet af aan de autonome kwaliteit van deze schitterende regels. Dit is Frysk op zijn slechtst, maar poëzie op zijn best.

Daarna gaat Miedema over in de verdediging, de aanval of hoe je ook maar noemen wilt. In zijn brievenpolemiek met de redactie van Quatrebras komt hij op mij – achteraf beschouwd – een beetje over als een gelijkhebberig stuk chagrijn. Hij is dan aan het natrappen, terwijl hij de koffers al lang heeft gepakt. De toon van deze brieven doet aan een slechte imitatie van Gerard Reve denken. Het doelpunt was al lang gescoord, daarna moet je niet te lang blijven staan juichen voor de tribune van de verliezers. Want wie in Friesland achterblijft verliest, zo had Miedema aangetoond.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)