Ruimte

masque ngil.jpg

De moderne kunst, zo beweerde Jaffé, is kort na 1900 ontstaan door een groeiende twijfel aan het positivisme van de negentiende eeuw. Kunstgeschiedenis was volgens hem ‘geestesgeschiedenis’. Het kunstwerk was een neerslag van de ‘geest van de tijd’, de ‘Zeitgeist, wat dat ook moge zijn en de veranderingen die zich daarin voltrekken. Zo’n honderd jaar geleden leidden spectaculaire ontwikkelingen in de wetenschap – niet alleen in de natuurkunde maar ook in de psychologie – ertoe dat de relatie tussen geest en materie – het ‘binnen’ en ‘het ‘buiten’ – problematisch werd. Onze kennis van de wereld, zo bleek opeens, was niet meer te reduceren tot objectief waarneembare feiten. Die ontdekking had ingrijpende gevolgen voor de relatie tussen beeld en werkelijkheid. Kunstenaars wilden niet meer afbeelden, maar béélden. Het schilderij ‘Les demoiselles d’Avignon’ van Picasso is daar een sprekend voorbeeld van.

Men wilde de dingen niet meer zien als een vluchtige schaduw op het netvlies. Zien was immers niet zoiets als filmen of fotograferen met het oog als camera. Zien is kénnen. Het oog kan niet denken, maar het brein kan zien. Tussen netvlies en cortex zetten wij – al ziende – de werkelijkheid elk moment opnieuw in elkaar. Die ingrijpende verandering in de ervaring van de werkelijkheid is door kunstenaars in het begin van de vorige eeuw op allerlei manieren verwoord, maar het meest helder vind ik nog altijd het statement van de Futurist Boccioni. ‘Wij moeten’, zo zei hij, ‘van het centrale kernpunt van het voorwerp uitgaan en wensen het zelf te scheppen ten einde die nieuwe vormen te ontdekken welke het met het oneindige van de zichtbare plasticiteit en met de oneindigheid van de innerlijke plasticiteit op onzichtbare wijze verbinden.’

det_blue_outlines_leg.jpg

Dat is een hele mond vol, maar precies daar ligt de essentie van de grote verandering, de bron van de moderniteit. Er kwam een nieuwe relatie tot stand tussen het beeld en het verbeelde. Niet de buitenkant van de dingen werd voortaan in een kunstwerk in vormen weergegeven, maar een denkbeeldig kernpunt van de dingen werd door kunstenaars als vertrekpunt genomen om een nieuwe verbinding te leggen tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Tussen de oneindigheid van de mentale ruimte en de uitgestrektheid van de fysische werkelijkheid. Die verbinding werd op instinctieve, maar ook op analytische wijze tot stand gebracht, respectievelijk in het expressionisme en het kubisme.

Door kunstenaars wel te verstaan, niet door wetenschappers. Die waren aan het besef van wat er werkelijk gaande was nog lang niet toe. Nog steeds niet trouwens. De nieuw ontdekte ‘kern van de dingen’ bevond zich immers niet in de driedimensionale ruimte van de perspectivische waarneming, maar in een andersoortige ruimte. Wat was dat voor soort ruimte? Was die ruimte mentaal of fysisch van aard? Was hij ideëel of metafysisch? Anders gezegd: in welke ruimte staan de hoeren in de Rue d’Avigon in Barcelona, zoals Picasso ze geschilderd heeft?

momapica.jpg

Het woord ‘ruimte’ verwijst naar een realiteit buiten ons of het is een metafoor. Als Kant gelijk heeft is er nog een derde mogelijkheid en bestaat er helemaal geen ruimte in de realiteit. Ruimte zou een categorie zijn die onze geest aan de werkelijkheid oplegt. Maar laten we er vanuit gaan dat het woord ‘ruimte’ – in fenomenologische zin – daadwerkelijk iets betekent. Het verwijst immers naar iets waarbij wij ons een op en of ander manier een voorstelling van kunnen maken, hoe gebrekkig die voorstelling ook mag zijn. Misschien is die voorstelling helemaal niet gebrekkig, maar een product van constituerend mechanisme in onze geest zelf. Hoe het ook zij, het woord ‘ruimte’ is en blijft een metafoor. Dat wil zeggen: een vaag woord, een mentaal beeld, waarbij wij zoiets als een uitgestrektheid buiten ons brein voor ogen krijgen.

Maar hoe reëel is die uitgestrektheid? Is de perspectivische ruimte in een foto soms reëler dan de poëtische ruimte in een gedicht? Is de geheugenruimte van een computer werkelijker dan de platgeslagen ruimte in de topologie? In wezen is de moderne kunst ontstaan door een crisis in het besef van wat het begrip ‘ruimte’ in feite betekent. Rond 1900 werden tijd en ruimte in de natuurkunde opeens als een onscheidbare eenheid opgevat. In de psychologie werd de tijdloosheid van het onbewuste ontdekt. Tussen beide ontdekkingen gaapte een diepe kloof. Die koof is er nog altijd, alleen zijn we er nu wat aan gewend. Honderd jaar geleden was het alsof men opeens in een peilloze afgrond staarde.

1 Reactie »

  1. fred elzinga

    9 juli 2007 op 16:11

    ruimte en schuine lijnen,ik ben in staat in vierkanten zwart en wit blokken ,ronde stippen in hoeken te laaten verschijen,die verdwijnen weer,om plaats te maaken voor diagonale schuinen strepen,die de vierkanten door kruise

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)