Hoeren

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de moderne kunst is ontstaan. Het schilderij ‘Les demoiselles d’Avignon’ van Pablo Picasso wordt alom beschouwd als de definitieve breuk met de kunst van de negentiende eeuw. De moderne wereld breekt open in deze verontrustende beeltenis. Picasso schilderde het in 1907 in zijn atelier Bateau Lavoir in Parijs. Sommigen zeggen in de maand januari, anderen in juni en juli. Ik hou het op het laatste en verklaar dus aanstaande vrijdag (1juni) als een officiële feestdag: het eeuwfeest van de moderne kunst. Wonderlijk dat geen enkel museum in Nederland deze gelegenheid heeft aangegrepen om iets bijzonders te bedenken. Het jaar 1907 geldt voor kunsthistorici als een breukjaar. In 1957 – 50 jaar na dato – organiseerde Hans Jaffé een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam met de titel ‘Europa 1907’. Deze expositie liet een dwarsdoorsnede zien van het de kunst die in dat jaar tot stand kwam. ‘De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige’, zoals Jaffé dat noemde.

Het sleutelschilderij van Picasso ‘Les demoiselles d’Avignon’ was op die expositie niet te zien. Eigenlijk was het schilderij haast nooit te zien. Ook niet tien jaar later, tijdens de grote overzichtstentoonstelling van Picasso, die Edy de Wilde in 1967 in het Stedelijk Museum organiseerde. Ik heb daar nog rondgelopen tussen de drommen mensen. Altijd heb ik gedacht dat ik het schilderij ‘Les demoiselles d’Avignon’ daar ook in het echt gezien heb, maar het was er niet. Ik het boek van Jan van Adrichen over de ontvangst van de moderne kunst van Nederland in de twintigste eeuw, wordt uitvoerig uit de doeken gedaan, hoe Edy de Wilde bijna slaande ruzie kreeg met Alfred Barr van het MOMA in New York. Barr had het doek wel aan een museum in Parijs uitgeleend, maar wilde niet dat het schilderij ook nog naar Amsterdam vertrok.

Het is een wonderlijk meesterwerk. Net als de Guerenica is dit schilderij een icoon dat in een collectief geheugen is ingedaald Je denkt dat je het kent uit eigen aanschouwing, maar de meeste mensen – net als ik – kennen het alleen van een reproductie. Het wonderlijke is dat het schilderij tussen 1907 en 1937 nauwelijks in het openbaar is getoond. Alleen in 1916 was het even te zien in op een tentoonstelling in Parijs. De roem van dit schilderij is dan ook moeilijk te verklaren. Het is vooral een mythe. Breton heeft erover geschreven, Apollinaire, Kahnweiler noem maar op. Allen herkenden juist in dit schilderij de definitieve breuk met de hypocriete wereld van de ‘belle epoque’. Wat je ziet zijn vijf prostituees. De drie linker lonken schaamteloos met hun naakte lichaam naar de beschouwer. De twee rechter zijn totaal gedeformeerd, als waren het poppen met primitieve maskers.

Het schilderij breekt met alle wetten van de nabootsing. Picasso schilderde geen naakte vrouwen, maar maakt het schilderij tot een bezwering van de lust. Hij schildert niet wat hij voor zich ziet vanuit een herinnering, maar formeert gestalten vanuit een driftmatige emotie. Het is een soort picturaal exorcisme wat hij bedrijft. Hij bezweert zijn primaire angsten en gooit een steen midden in het gezicht van het publiek. Dood en lust, dat is het thema. In voorstudies van dit schilderij waren nog mannelijke figuren te zien. Hoerenlopers. Het dreigend gevaar van de syfilis, daar gaat dit schilderij over. Tegelijk is het een eerbetoon de femme fatale van het symbolisme. De vrouw die mannen verslindt tot de dood er op volgt. De dood die zich in de Dionysische drift schuil houdt en alleen in de schilderdaad kan worden uitgebannen.

Het verhaal gaat dat Picasso zich heeft laten inspireren door primitieve Afrikaanse kunst die hij gezien had in het Palais du Trocadero in Parijs. Vooral de twee rechter vrouwfiguren laten die invloed zien. In dat Museum waren echter ook vroeg middeleeuwse beelden uit Spanje te vinden. Madonna’s wellicht. ‘Art throws off the corns that hide the expressiveness of experienced things,’ schreef Dewey in ‘Art as experience’. Ik zou wel eens willen weten wat Picasso precies heeft bezield bij het schilderen van dit doek. Hij zou in de war zijn geweest door de zelfmoord van een jeugdvriend, zeggen sommigen. Anderen beweren dat hij bang was dat hij een geslachtsziekte had opgelopen na een bezoek aan een prostituee. Zeker is dat Picasso ook in 1907 – zoals tijdens zijn hele leven – met een vrouw overhoop lag.

De kunst van Picasso is primair een agressieve reactie op de onweerstaanbare seksuele aantrekkingskracht van de vrouw. Hij zette de wereld opnieuw in elkaar uit woede dat hij zijn driften niet in bedwang had. De vouw werd door hem letterlijk afgebroken en opnieuw van de grond af opgebouwd. Schoonheid wordt onttakeld en opnieuw geconstrueerd. Dat gebeurde allerminst in dolle razernij, maar stap voor stap en uiterst bedachtzaam. Picasso deformeerde niet. Hij formeerde. Niet verbeelden, meer béélden, dat was het nieuwe adagium. Hij schiep de vrouw opnieuw volgens zijn eigen formele wetten. En onderwijl vond hij iets nieuws uit: een nieuwe basis voor de kunst.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)