De mislukte herovering van de tijd

Sommige boeken blijven jarenlang in de kast staan voordat je ze gaat lezen. Zo’n boek is voor mij ‘Handboek voor de jonge generatie’ van de Belgische filosoof Raoul Vaneigem (zie foto). Ik heb het ooit eens gekregen van Rients Kooistra, de kunstcriticus van het Friesch Dagblad, die twintig jaar geleden als student kunstgeschiedenis stage liep bij de Fryske Kultuerried. Laatst vertelde hij me dat hij destijds twintig exemplaren van dit boek had opgekocht bij de Slegte. Ik heb het altijd als een soort cultboek gezien van een outsider. Omdat ik me de laatste tijd aan het verdiepen ben in het gedachtegoed van de Situationisten, ben in het toch maar eens gaan lezen. Veel te laat, blijkt nu, want het is een prachtig boek.

Raoul Vaneigem schreef het in 1967, in hetzelfde jaar dat ook ‘La societé du spectacle’ van Guy Debord verscheen. Misschien is dat ook de reden dat dit boek redelijk onbekend is gebleven. Guy Debord is inmiddels wereldberoemd. Hij wordt algemeen beschouwd als de ideoloog van de Parijse studentenopstand van mei ’68. Zijn ideeën hebben grote invloed gehad op Baudrillard. In die zin vormt Debord een scharnierpunt in de Franse filosofie, die het naoorlogs Hegeliaanse denken onderscheidt van (en tegelijk ook verbindt met) de postmoderne filosofie van de schijn die na 68 in het Franse denken de boventoon is gaan voeren. Vaneigem heeft als filosoof volgens mij meer te zeggen dan Debord. Beiden vormden in feite de denktank van de Situationalistische Internationale, maar Vaneigem heeft nooit een revival gekend zoals Debord, die door de anti-globalisten in de jaren negentig opnieuw in het zadel is gehesen. Vaneigem leeft ook nog steeds en Debord is dood. Hij is inmiddels 73 jaar en ik ben eigenlijk heel benieuwd hoe hij op zijn eigen radicale verleden terugkijkt.

Wat mij vooral aanspreekt zijn zijn gedachten over de tijd en het dagelijks leven, over wat hij noemt ‘het tijd-ruimte continuüm’ van de alledaags ervaring. As er één ideaal was waar de Situationisten voor stonden, dan was dat wel het herstel van de ervaring van eindeloosheid die ieder mens kent uit zijn kinderjaren. Het authentieke leven in het hier en nu is in de moderne tijd alleen nog mogelijk als kind. ‘Ik verlang naar een wereld waarin ik mezelf kan verliezen’, schreef Debord. Dat is ook in essentie het verlangen dat in mei ’68 oprees vanuit de graffitislogans die op de muren van Parijs werden gekalkt. ‘Onder de straatstenen ligt het strand.’ ‘Wees realist, eis het onmogelijke.’ ‘Werk nooit.’ ‘De verbeelding aan de macht.’ ‘Ik houd mijn verlangens voor werkelijk, want ik geloof in de werkelijkheid van mijn verlangens.’ ‘Het is verboden te verbieden.’ ‘Men koopt jouw geluk, steel het.’ ‘Ik ben Marxist van de richting Groucho.’. Het is een diep gevoeld verlangen naar de tijdervaring van het kind.

Alles valt ten prooi aan het spektakel, zo geloofden de Situationisten. Zelfs de kunst. We moeten de krachten breken die dit artistieke spektakel in stand houden. De gegijzelde kunst moet worden bevrijd. De vleugels van de verbeelding moeten teruggegeven worden aan een radicale vorm van subjectiviteit die zich kan uiten in het spel, de vrije creatie, de droom, de liefde, de poëzie, de communicatie…. Het volle leven is in het hier en nu, los van het overleven dat de mens isoleert en vervreemdt van zichzelf. Mensen spelen rollen en een rol kent geen authentiek doorleefd heden. Het spektakel heeft een radicale scheiding teweeg gebracht tussen tijd en ruimte. Of zoals Vaneigem het zelf verwoordt: “Iedere seconde abstraheert mij van mezelf, er is nooit een nu. Een doelloos en druk bezig zijn is er doeltreffend op uit dat ieder van ons een reiziger in de tijd wordt, dat we de tijd verdrijven, zoals de uitdrukking zo aardig luidt, en zelfs dat de tijd geheel door de mens heen wordt gedreven. Als Schopenhauer schrijft: “Vóór Kant waren we in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons”, dan geeft hij goed weer hoe het bewustzijn door de tijd van de veroudering en decadentie wordt overspoeld.

Vaneigen was uit op een herstel van de authentieke tijd-ervaring. In feite is dat een terugkeer naar de cyclische tijd van vóór de moderniteit. De ervaring van de volheid van net hier en nu, waarin elke dag weer terugkeert onder een hemels baldakijn met het op- en ondergang van de zon en het herheelde verloop van de seizoenen. Het is de tijd die niet leegloopt als een badkuip, maar in zijn volheid elk moment weer ervaren kan worden. Niet de tijd die je alsmaar voortdrijft naar de dood. Niet de tijd ook van het spektakel, van waaruit alleen in de benauwde verdoving van het als eeuwig beleefde ogenblik (‘die ewige Jetz-Zeit’) een uitweg biedt. Waar Vaneigen in feite naar streefde is een herstel van de tijdbeleving van de Middeleeuwen, maar dan zonder scheiding tussen hemel en aarde. Hij verlangt naar een nieuwe paulinische tijdruimte zonder God. Zonder spektakel ook, want dat is het enige substituut voor de religie dat ons na de dood van God nog rest.

En toch, er is een filosoof die deze radicale gedachte van de Situationisten over de herovering van de tijd trouw is gebleven. Tot op de dag van vandaag verwoordt hij dat ideaal op zijn eigen manier. Sterker nog, hij voegt de daad nog altijd bij het woord. Uiterlijk lijkt hij zelfs een beetje op Vaneigem, al is hij dan tien jaar ouder. Maar waarom krijgt Le Roy niet de tijd?

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)