Als een schaduw

Ik hou ervan om dikke boeken te lezen. Je moet er wel de rust en de tijd voor hebben, maar een dik boek heeft het voordeel – tenminste als het een goed boek is – dat het je meesleept in een andere wereld. Je kunt jezelf erin verliezen. Dat is het mooie van lezen soms, dat je jezelf ogenschijnlijk kwijt raakt. Soms wordt het dan helemaal stil om je heen en merk je dat ook. Je kijkt dan op en hoort de stilte. Dat soort stiltes hoor je alleen, als je een dik boek aan het lezen bent.

Vorige week ben ik begonen met een boek van Caroline Roodenburg-Schadd. Het heet ‘Expressie en ordening, het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum, 1945-1962’. Het is 941 pagina’s dik, dus kun je met recht van een ‘dik boek’ spreken. De auteur heeft zes jaar lang op de zolder van het Stedeijk Museum in Amsterdam gebivakkeerd om dit boek te kunnen schrijven. Ik heb altijd al een vage bewondering voor Willem Sandberg gehad, maar al lezende wordt die bewondering alleen maar groter.

expressie.jpg

Deze man heeft in zijn eentje niet alleen een heel museum internationaal op de kaart gezet, maar beheerste ook decennia lang de gehele Nederlandse kunstwereld. Hij was een bevlogen directeur, zat in talloze besturen en commissies en bemoeide zich overal mee, niet alleen binnen maar ook buiten zijn museum. Hij was een verzetsheld in de oorlog (de enige overlevende van de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister) en buiten dat alles was hij ook nog een belangrijk grafisch ontwerper die het Stedelijk Museum in al zijn uitingen en tot in de kleinste details naar zijn hand wist te zetten.

Ik ken Sandberg als een figuur op afstand uit mijn jeugd. Als kind bezocht ik begin jaren zestig zijn spraakmakende tentoonstellingen in het Stedelijk, zoals ‘Dylaby’ en ‘Bewogen Beweging’. Eigenlijk heb ik een enorme heimwee naar die tijd. Twee weken geleden waren wij een paar dagen in Amsterdam en sliepen we in een eenvoudig hotel vlak achter het Concertgebouw (∈ 65 per nacht voor een tweepersoonskamer met ontbijt!). Opeens besefte ik dat ik in deze omgeving mijn hele jeugd heb liggen, meer nog dan in de Watergraafsmeer, waar ik geboren en getogen ben.
.
Dicht bij het Museumplein lag mijn lagere school (in de Richard Holstraat en later de Nicolaas Maesstraat), mijn middelbare school (in de Pieter de Hoogstraat en later de Banstraat ) en tenslotte het Kunsthistorisch instituut (destijds op de hoek van het Museumplein en Johannes Vermeerstraat). Als we ’s avonds rondwandelden door die sfeervolle straten met hoge woonlagen van wel vier of vijf verdiepingen, kwam heel mijn verleden in mijn herinnering terug. Amsterdam bestaat nog. Alleen het Stedelijk is er niet meer.

Ik miste opeens de statige trap, de boenwas van de parketvloeren en de geur van olieverf en schilderslinnen. De kleine kabinetten met Cézanne, Malevich, Dick Ket, Charley Toorop en natuurlijk de ‘Rosy Fingered Dawn at Louise Point’ van Willem de Kooning. Een museum is vooral een plek om telkens weer terug te keren, om oude bekenden te zien. Niets is mooier dan schilderijen uit je jeugd opnieuw te ontmoeten. Het Stedelijk was altijd zo’n plek van herkennung. De lucht van Sandberg hing er nog. Ik ben bang dat die nooit meer terug komt.
.
Wat ik niet wist dat Sandberg voor de oorlog in contact kwam met een spirituele beweging de Mazdaznan, die in begin vorige eeuw in Europa en Amerika nogal wat aanhang heeft gehad. Deze beweging, opgericht dor Otto Hanisch (1844-1936), maakte deel uit van een breed scala van spirituele en reformbewegingen die nu grotendeels verdwenen zijn. De Mazdaznan weas een soort oerreligie (letterlijk: de goede gedachte die een mens leidt) en ging uit van het primaat van de geest boven het lichaam en legde grote nadruk op een goede ademhalingstechniek. Sandberg was zelfs een jaar lang voorzitter van de Nederlandse afdeling van deze beweging maar kapte ermee omdat hij niet langer tussen ziekelijke en hysterische dames wilde verkeren.

Gisteren was ik op bezoek bij Jentsje Popma om hem te ondervragen over het kunstklimaat van kort na de oorlog, Als vanzelf kwam het gesprek op Sandberg terecht. Hij was een soort god in die tijd die haast alle touwtjes in handen had. Als je het wilde maken in de kunstwereld, zo ging een gezegde in die jaren, dan deed je er goed aan om ergens binnen een straal van 1500 meter rond het Stedelijk Museum te gaan wonen.

Opeens besefte ik dat Gerrit Benner zich precies aan die gouden regel gehouden heeft. In 1954 verhuisde hij met het hele gezin vanuit de Verstolkstraat (bij mij om de hoek in de wijk Achter de Hoven) naar de Lohmanstraat in Amsterdam Zuid, achter het Concertgebouw. Ik ben er nog even wezen kijken vorige week. Ik speelde daar vaak als kind bij een klasgenootje thuis. Ik moet hem daar hebben zien lopen die Benner, al wist ik niet wie hij was. Dagen, weken, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)