Reve in fragmenten

Waar ligt de grens tussen geloof in God en een affectieve illusie. Of sterker nog, tussen een trance-achtige mystieke ervaring en een ontsporing van de geest? Of is is er geen grens tussen beide domeinen? Is de mystieke ervaring volledig te herleiden tot de seksuele drift, die geen sublimatie heeft kunnen vinden in een meer werelds domein van gezonde menselijke activiteit? Dat soort vragen roept het werk van Gerad Reve op, en met name zijn brievenroman ‘Nader tot U’.
Alvorens dit soort vragen überhaupt beantwoord kunnen worden, zal de de onderzoeker een stelling moeten innemen ten aanzien van het fenomeen geloof. Wie die vraag vooraf uit de weg gaat, heeft de conclusie van zijn onderzoek al in de premissen binnengesmokkeld. Maar tot wie of wat moet je je dan richten? Wetenschap en geloof staan immers op gespannen voet. Als er één tak van wetenschap is waar die frictie zich aandient, dan is het wel de psychiatrie. Geestesziekte en religie verhouden zich tot elkaar als de spreekwoordelijke kip tot het ei. Is volgens de één het geloof voorwaarde en hoeder van geestelijke gezondheid, voor de ander is het godsgeloof juist een zwakke vorm van geestesziekte.
Zo is volgens Freud het geloof in God een sociaal geaccepteerde ‘bypass’ voor de neurose en heeft religie heel wat mensen een indiviuele neurose kunnen besparen. Jung daarentegen dacht dat de mens zonder religie nooit een vaste grond voor zijn bestaan zou kunnen vinden. Ook binnen de anti-psichiatrie, die in de jaren zestig opkwam, werd juist positief over religie gedacht. Mensen als Ronald Laing en Norman O. Brown beoordeelden Freuds benadering van de religie als eenzijdig en te rationeel. “Wat heeft God met het handboek van de Amerikaanse psychiatrie te maken”, vroeg Laing zich af. Door de psychose zou volgens hem een mystieke boodschap vrij kunnen komen, waarvan de betekenis onduidelijk blijft binnnen het huidige wetenschappelijk wereldbeeld in het algemeen en binnen de hedendaagse psychiatrie in het bijzonder.
Vanuit die anti-Freudiaanse traditie van de psychiatrie is wellicht een andere en meer adequate context te vinden om de religieuze ervaringen van Gerard Reve te duiden. Die ervarigen vertonen – zoals ook Reve zelf meerdere malen heeft aangegeven – psychopathologische trekken. Reve was een geval, daar helpt geen lieve moeder aan, zelfs niet de moeder Gods. Maar daarmee is over de inhoud van zijn religieuze beleving nog lang niet alles gezegd. Integendeel, juist de pathologische kern van zijn geloofservaring zou een bijzondere betekenis kunnen hebben, als het gaat om de vernieuwing van de religie. En vernieuwing, dat was wat Reve daadwerkelijk nastreefde. Het vernieuwen van de religieuze ervaring binnen en vanuit de literatuur. Voor dat doel waren alle middelen geoorloofd. De trance bijvoorbeeld, de religieuze exaltatie, de seksulee extase of een mentale toestand van ‘disclosure’.
Die fysieke en mentale toestanden bestudeerde hij bij laat-romantische dichters en schrijvers die geestverruimende middelen gebruikten om tot een exaltatie te komen. Voor zover ik weet gebruikte Reve geen drugs, maar hij las wel boeken over het gebruik van opium en andere middelen bij schrijvers in de negentiende eeuw. Voor hem zelf bood sterke drank een tijdlang niet alleen een uitvlucht voor zijn psychische problemen, maar ook een middel om de trance te bevorderen, die voor het schrijven volgens hem noodzakelijk was. Toen hij noodgedwongen met de drank moest minderen, was zijn grootste angst dat hij niet meer tot een extatische vorm van schrijven in staat zou zijn. Verder sloot hij zich bij voorkeur op in een kloosterachtige, kale ruimte. Als die niet voorhanden was – zoals bij zijn huis in Weert of in Osdorp – verfde hij de ramen van zijn schrijfkamer aan de binnzijde wit.
Reve was zich scherp bewust dat zijn hang naar religieuze exaltatie samenhing met een getroubleerde seksualiteit. De volgende twee citaten tonen dat duideliijk aan:
“Eerst een opsomming aan de feiten: ik wilde mijn doopkaars in Fatima voor de Maagd ontsteken, vond er echter noch daar, noch elders in Spanje of Portugal een geschikt heiligdom voor, bracht hem in drieën gebroken en half door de zomerhitte gesmolten, weer mee terug, maar ik heb hem gisteren in het heiligdom van O.L. Vrouw Ter Nood in Heiloo integraal geofferd. Natuurlijk is de kaars het fallus symbool bij uitstek – gloeiende punt, druiping, opraken en krom smelten, etc – en is mijn verering voor de H. Maagd incest met mijn moeder, rituele vervanging van de in concreto afgewezen intimiteit met de vrouw, enzovoorts, maar deze freudiaanse vulgariteit zegt mij niets. Al is zij misschien wel waar.”
Gerard Reve, in een brief van 8 september 1967
“Maar wanneer was die heisa, die ook Wimie in bed van lieverlede was gaan opbreken, en weshalve hij mij ‘seksueel mismaakt’ had believen te noemen, precies begonnen. Het was, zo bedacht ik met een schok, merkwaardigerwijs begonnen ongeveer in dezelfde tijd, dat ik religieuze gevoelens, voorstellingen en gedachten was gaan kultiveren. De ene afwijking had ik tegelijkertijd met de andere opgelopen…”
Gerard Reve in Moeder En Zoon, 1980
Twee filosofen bieden enig houvast om een anti-freudiaanse of ‘alternatief freudiaanse’ context te vinden voor het duiden van de religieuze ervaring bij Reve: Georges Bataille (1897-1962) die als surrealist nog sterk onder invloed van Freud stond, maar een eigen visie ontwikkelde op de relatie tussen seksualiteit en religie; en Antoon Vergote (geb. 1921) die als godsdienstpsycholoog – onder invloed van Jung , Lacan en de anti-psychiatrie – wat meer afstand heeft genomen van Freud. Beiden hebben zich – vanuit uiteenlopende optiek en levensbeschouwing – bezig gehouden met zaken als geloof en psychologie, seksualiteit en mystieke ervaring. Beiden schreven over de mystiek van Theresia van Avila.

Mystiek bij Georges Bataille
Een belangrijk gegeven in de het denken van Georges Bataille is de eenheid van religieuze en seksuele extase. In het beroemde beeld van Bernini, de extase van de heilige Theresia, in de Cornaro kapel in Rome lijkt deze opvatting van Bataille door de beeldhouwer in marmer gevangen te zijn. Centraal in dit beeld staat de sensuele uitstraling van de heilige, juist voor het moment dat zij door een engel met een speer in het hart wordt doorboord. Vooral het achterovergeworpen hoofd van Theresia met de gesloten ogen en de open mond in combinatie met haar lichaam dat in de hoogste staat van vervoering is, wijzen op een intrinsieke verwevenheid van mystieke en seksuele extase. De engel is bovendien niet van een Cupido te onderscheiden. De hemelse en de aardse liefde, door de neoplatonist Ficino nog beschreven als twee opeenvolgende fasen van volmaaktheid, lijken hier volkomen gelijkwaardig.
Volgens Bataille was de verbanning van de erotiek buiten het domein van de religie een keerpunt in de geschiedenis. Erotiek verloor zijn heiligheid en viel ten prooi aan op nut gerichte moraal. Het belang van offer, nog verscholen aanwezig in christendom, is met de komst van de Verlichting totaal verdwenen in de westerse beschaving. Door de ontkenning van de intrinsieke verwevenheid van religie en seksualiteit, die binnen het christendom eeuwenlang is gepropageerd, heeft het christendom uiteindelijk zelf vlam gevat. De mystiek extase van Theresia laat daar de gevolgen van zien. De Barok met zijn seksueel belanden obsessie voor de lijdende Christus aan het kruis is de laatste vlammenzee van deze ultieme miskenning. Daar waar de seksualiteit het meest wordt verdrongen, laait hij op in de meest verboden zone die men zich denken kan, in de ultieme omkering, de antinomie. Het lijden zelf van de Verlosser wordt dan een orgastisch tafereel. Zo kon het gebeuren dat de kruisoprichting van Christus van Peter Paul Rubens uiteindelijk een van de meest seksueel beladen beeltenissen zou worden in de traditie van de westerse schilderkunst.

In zijn boek ‘Bekentenis en begeerte in de religie’ (1978) stelt Antoon Vergote dat een bepaalde op nut gerichte, rationalistische ideologie, die de filosofie van de Verlichting heel ordentelijk simplificeert, van Freuds theorie over religie en sublimatie heeft meester gemaakt. De seksuele sublimatie wordt door Freud ‘domweg ingekrompen tot wat sociaal nuttig is: de wetenschap, de arbeid, de economie als de verdeling van de ‘goederen’, de weldadige illusie van de kunst..’ De mystieke ervaring daarentegen laat zich niet in dat simpele stramien voegen. Mystiek richt zich immers niet op iets nuttigs. Vanuit de optiek van Feud heeft mystiek niets anders te bieden dan een ‘auto-plastische verandering’ van het zelf, een soort hysterische omkering die zich aandient als een ‘een bij toverslag optredende vervulling van een begeerte’.
Mystiek is echter veel meer. Het is een onuitsprekelijke ervaring van een aanwezigheid die verhuld blijft voor het verstand. Dat wij de mystiek koppelen aan bepaalde psychodynamische processen, wil nog niet zeggen dat we haar zonder meer kunnen herleiden tot de seksuele drift, en evenmin ‘dat we haar beschouwen als een superstructuur zonder eigen werkelijkheidswaarde of gedifferentieerde betekenisaspecten’.
Het mystieke werk van Theresia van Avila leent zich bij uitstek voor het bestuderen van de mystieke ervaring. Wat zij doormaakt is geen mystiek delirium, maar ook geen vorm van hysterie. ’De buitengewoon heldere analyse die Theresia van Avila in haar mystieke werken geeft van alles wat zich in haar innerlijk afspeelt, maakt haar werk volgens Vergote tot een ‘handleiding voor het onderkennen van illusies, waar de psycho-analyse een voorbeeld aan zou kunnen nemen’.
Theresia van Avila is er voortdurend op bedacht om onderscheid te maken tussen waarheid en inbeelding. Zij is niet uit op genot of extase, maar ontdoet zich juist systematisch en steeds meer van haar zelfzucht. Letterlijk schrijft Vergote: “Ze tracht daarin verder te komen door zich in een cirkelbewging beurtelings op twee oriëntatiepunten te richten die elkaar belichten. De belangrijkste pool is die van het geloof als verplichting die men op zich neemt. Gegrepen als ze is door de religieuze uitspraken die ze gehoord heeft, weet ze dat daarachter een hele wereld schuil gaat, en wil ze daarin op zoek gaan naar Degene die daar woont.”

Theresia van Avila
Het beeld van Bernini dat de vervoering van de heilige Theresia laat zien is niet voortgekomen uit een overspannen fantasie van de kunstenaar, maar is geheel in overeenstemming met het visioen, zoals het door Theresia zelf beschreven is:
“Naast mij verscheen een engel in levende lijve. Hij was niet lang, maar klein en heel mooi van uiterlijk. Zijn gezicht was zo vol vuur dat hij tot de hoogste schare der engelen leek te behoren die allen in vuur en vlam lijken te staan. In zijn handen droeg hij een gouden speer en de stalen punt daarvan leek van brandend vuur te zijn. Deze punt stootte hij diep in mijn hart, diverse malen zelfs, zodat hij mijn binnenste binnen penetreerde. Juist toen hij hem weer terugtrok, voelde ik dat hij mijn binnenste meetrok naar buiten en dit alles liet mij achter, totaal verteerd door de liefde tot God. De pijn was zo hevig dat ik kermde en kreunde. De zoetheid die door deze intense pijn teweeggebracht werd is zo extreem dat het voor een mens onmogelijk is te willen dat het ophoudt, noch neemt de ziel hierna met iets anders ooit genoegen dan God zelf. Dit is geen fysieke, maar een spirituele pijn, hoewel het lichaam zelf hier tot op zekere hoogte, en misschien zelfs in aanzienlijke mate bij betrokken is.”
Conclusie
Reve is er zich van bewust dat zijn verering voor de H. Maagd vanuit een freudiaanse optiek te duiden is als ‘een verlangen naar incest met zijn moeder’ (of anders: ‘een rituele vervanging van de in concreto afgewezen intimiteit met de vrouw’). Ook al zou deze interpretatie waar zijn, hij heeft er geen boodschap aan. Sterker nog, hij doet deze interpretatie af als een vulgariteit. Daarmee distantieert Reve zich van te rationele en eenzijdig op utiliteit gerichte opvatting van de sublimatie, die door Freud is ontwikkeld.
Impliciet keert Reve zich daarmee af van een eenzijdige rationalistische kennistheorie, die in de tijd van de Verlichting exlusief op het verstand werd gefocust. Met die moderne rationele kennistheorie werd afstand gedaan van een oudere vorm van kennis, die mede gebaseerd was op affectie (op basis van verstand en verenigende liefde) Bij die oudere, meer geïntegreerde kennisopvatting was nog geen sprake van de het subject-object dualisme dat door Descartes werd geintroduceerd en door Kant werd uitgewerkt als paradigma voor de moderne wetenschap.
Die ‘moderne’ opvatting van kennis is eenzijdig rationeel en op utiliteit gericht, terwijl in de pre-moderne kennisopvatting het rationele en affectieve intrinsiek met elkaar verweven waren, zoals ook ‘het esthetische’ nauw verbonden was met het ‘het bezielde’ (“Alleen het hart kan zien”, zei Theresia van Avila). In die zien is Reve een ware romanticus die zich frontaal keert tegen de moderniteit.
Onbesmotst
2 januari 2007 op 13:40
Neen, het vuur zal nimmer doven
Ook al lijdt men aan slechthorendheid
Een oprechte christen moet geloven
Het is die kaars, die O L.V inglijdt
Bataille spreekt van heilige extase
Mogelijk refererend aan seksualiteit
Zelf ben ik reeds voorbij die fase
(Ik kocht onlangs een moedergeit)
Maar bij al wat engelen ook doorboren
Behoort dat extatische, die verrukking
Dat er ogenschijnlijk naar behoren
Een escape ontstaat aan onderdrukking
Het is maar al te waar
De religieuzen doen het zelden meer
‘t Is wel een beetje raar
Wie wil er nu géén geslachtsverkeer!
Huub Mous
2 januari 2007 op 14:14
Het blijft behelpen met ‘n geit
Een geitenneuker weet dat best
Als je alles gehad hebt, dan wil je best
zo’n lieve ezel. Alles op zijn tijd!
Zo’n goddelijk dier heeft ‘n zalig hol
nog zachter dan dat van de Maagd
Zelfs Reve stak daarin onversaagd
zijn lans. Geen hol was hem te dol
Mystiek en seks, zelfs bestialiteit
geëmmer met een koe op z’n tijd
Wat dacht je van die ezel en die os?
Wat deden die daar? Van God los?
Ze stonden aan de wieg des Heren
en zagen daar de jonge heer
van God. Ook toen kon het verkeren
in dat zalig, geslachtelijk grensverkeer
Onbesmotst
2 januari 2007 op 14:37
De ezel is een halstarrig dier
Aan ezelseks beleeft soms plezier
Nimmer is de ezelseks zo mooi bezongen
Als in het dagboek van een herdersjongen
Pardon; ik meen het betrof hier geiten
Er viel de knapen niets te verwijten
Want er was geen bloot in gids of bode
Zodat ze penetreerden uit den node
Het nieuwe jaar is weer een feit
Voor elk seizoen is er de geit
De koek is vooralsnog niet op
Husein had gister echter een pijnlijke strop
Huub Mous
2 januari 2007 op 15:58
Vooruit met de geit
Het jaar is nog pril
Geen haat en nijd
Slow down. Sta stil.
Laat ons leven als de dieren
Laten wij elkaar plezieren
De tijd gaat zelf al hard genoeg
Je gaat nog dood van dat gezwoeg
Wie nu niet leeft, die leve nooit
en sterft al voordat Magere Hein
zijn zeis uitslaat en ons berooid
en zielig wegmaait uit het Zijn
Pluk de dag nu het nog kan
Hij is een bloem in volle glorie
straks hangt hij slap, potjandorie
Ik wil niets te klagen hebben dan
Onbesmotst
2 januari 2007 op 17:39
Anno Domino
Mijn God, ik ben soms bang voor ‘t komend jaar,
zo bang voor dingen, die zomaar gaan gebeuren.
Ik kom met al mijn vragen, angsten, zorgen lang niet klaar,
soms voel ik mij gebonden achter stalen deuren.
Mijn God, ik ben zo bang dat nooit de engel komt
die mij Uw stralend licht zal binnenleiden.
Mijn blijdschap is zo broos, mijn lied verstomt,
als U mij niet komt redden, wie zal mij bevrijden?
O God, ik ben zo bang, ik ben alleen,
rondom mij staat het donker, dreigend hoge muren…
En als U komt, waar voert u me dan heen?
Ik vrees, o God, ik vrees Uw oordeelsvuren…
- Vrees niet, want nòg zend Ik Mijn eng’len neer,
nooit hoeft een kind van Mij de vreugd van Kerst te derven.
Want voorzeker geboren is Christus, de Heer,
van Hem mag je zijn in leven en sterven! -
Nel Benschop
Huub Mous
2 januari 2007 op 20:04
‘Ik geloof maar één ding,’ herhaalde ik langzaam. ‘Eén enkel ding…dat, nou ja…”mijn hoop is leven en sterven”.., zo heet dat toch…Eén enkel ding…Maar…dat kan ik niet uitspreken…’ Ik gevoelde mij duizelig worden. Er viel een zwijgen.
(uit: Gerard Reve. ‘Moeder En Zoon)
Er is slechts Eén, Die alles zal regeren,
Eén, Die ook dit jaar de historie maakt:
’t is Anno Domini – het jaar des HEREN!
Wees sterk, vrees niet: ’t is God, Die voor u waakt!
(uit: ‘Anno Domini’, Nel Benschop, ‘Een boom in de wind’)