Een traag en waardig afscheid

Ik heb religie altijd gezien als iets dat hoort bij mijn ouderlijk huis. Zoals de klok op de schoorsteen, de haardstoel bij de kachel en de tabakspot van mijn vader, is religie voor mij een kostbaar relikwie van een voorbije tijd. Iets van dat gevoel herkende ik in een boek dat verscheen in 1947, het jaar dat ik geboren werd: ‘De toekomst der religie’ van Simon Vestdijk (zie foto). Het is niet zijn meest gelezen boek. Ik kocht het eind jaren zestig, waarna het decennia lang ongelezen in mijn boekenkast stond, totdat ik het onlangs ter hand nam.
Mijn vooroordelen bleken niet terecht. Ik raakte geboeid door de droge zinnen van de auteur. Ondanks die merkwaardige stijl die eerder hersencellen doet kraken dan verwondering weet te wekken, is deze beschouwing nog altijd een toonbeeld van helder denken over een allesbehalve helder onderwerp. Het is een boek dat zijn actualiteit herwint nu alom gedebatteerd wordt over de plaats van de religie in een op drift geraakte samenleving. Hoewel de tendens naar ontkerkelijking nog altijd doorzet, lijkt het religieuze bewustzijn terug te keren in een andere vorm. Religie blijkt nog altijd een maatschappelijke kracht te zijn die serieuze aandacht verdient. Zeker nu de islam zich steeds zelfbewuster manifesteert als de derde religie van Nederland.
Vijftig jaar secularisering hebben geen antwoorden opgeleverd op enkele actuele vragen die kort na de oorlog ondenkbaar waren. Mogen islamitische vrouwen wel of niet hoofddoekjes dragen? Heeft islamitisch onderwijs bestaansrecht? Of welke plaats moet het christelijk gedachtegoed krijgen in de nieuwe Europese grondwet? Achteraf bezien maakt Vestdijks boek één ding duidelijk. In het Nederland van na de oorlog is het afscheid van de religie overhaast en geforceerd verlopen. En dat was nu juist het grote gevaar, waarvoor Vestdijk in dit boek zo heeft gewaarschuwd. Zijn pleidooi voor een traag en waardig afscheid van het christendom bepleit impliciet een houding die de huidige dialoog met de islam wellicht op meer waardige wijze mogelijk maakt.

Wat is er zo bijzonder aan dit boek? In de eerste plaats het respect waarmee Vestdijk schrijft over een religie die hij in feite ten grave draagt. Want anders dan de titel suggereert, gaat dit boek niet zozeer over de toekomst van de religie, als wel over het afscheid van het christendom. Na twintig is deze unieke vorm van religie ten dode opgeschreven, ondanks de geniale vondst van de mens geworden zoon van God. Met die uitvinding werd het monotheïsme van het jodendom van zijn ongenaakbare trekken ontdaan. Het christendom heeft de idee van ‘de volmaakte mens’, die eigen is aan vrijwel elke religie, als een God op aarde neergezet. Niet alleen als een radicaal voorbeeld tot navolging, maar als een wondermiddel tot verlossing. Zo werd een verzoening mogelijk met lijden en dood door een beloofde genoegdoening in het hiernamaals. Op deze wijze heeft het christendom de mens tweeduizend jaar kunnen vrijwaren van hoogmoed, enerzijds omdat de verleiding werd weggenomen om als mens zelf God te kunnen worden, anderzijds omdat de utopie werd ontmoedigd om de volmaakte mens al hier op aarde te realiseren.
Ondanks die geniale constructie is het christendom volgens Vestdijk de laatste religie – het woord islam komt in zijn betoog niet voor – die nog de primaire trekken draagt van de metafysische projectie, dat wil zeggen: een oerdrang om een God te projecteren in een buitenwereldse ruimte. Dit diep verankerde mechanisme van de menselijke geest zal na verloop van tijd onherroepelijk plaats maken voor minder primitieve vormen van religie. Dit mechanisme is immers te gevaarlijk. Het heeft in de geschiedenis heel wat ellende opgeleverd: moord en doodslag, onverdraagzaamheid en hypocrisie. Vaak wordt bij wat wordt nagestreefd het omgekeerde bereikt.
In de ‘paulinische voortijd’ (de tijd tussen de gerealiseerde verlossing door Christus en het ‘Laatste oordeel’), waarin de christen zijn leven op aarde moet doorbrengen, vervalt het verlangen naar hemelse volmaaktheid al gauw tot cynisme over de aardse mogelijkheden. De metafysische projectie leidt niet zelden tot verstarring en dogmatiek, omdat een diepe onzekerheid – waaruit de projectie juist voortkomt – radicaal wordt verdrongen. Alleen de mysticus slaagt erin om het absolute karakter van de geprojecteerde symbolen ‘terug te nemen’. De tragiek van het christendom komt dan ook voort uit een doofheid voor zijn eigen mystiek.

Bij het verdwijnen van het christendom denkt Vestdijk niet in jaren of decennia, maar in eeuwen. Hij richt een telescoop op de toekomst, vanuit een weerbarstig geestelijk landschap dat nog maar nauwelijks bekomen is van de schok van de Tweede Wereldoorlog. Ook het cultuurpessimisme van Menno ter Braak lijkt hier en daar nog door te klinken in zijn sombere beschouwingen over de westerse beschaving. Zelfs de titel ‘De toekomst der religie’ zou een ironisch antwoord kunnen zijn op diens ‘Afscheid van domineesland’.
Meer dan een verkenning van de toekomst is dit boek ook immers een afscheid van het verleden. Of beter gezegd: een pleidooi voor een waardig afscheid van de christelijke religie, die ondanks al zijn onmiskenbare gebreken, zoals onverdraagzaamheid, individualisme en morele dubbelzinnigheid, ons heeft opgevoed tot wat we zijn. Met het verdwijnen van het christendom, zo beweert Vestdijk, zou iets onvervangbaars voor de mensheid verloren gaan. De stemming die daarbij past is het gevoel dat je bekruipt bij het uitsterven van een imposante diersoort, zoiets als een mammoet, die iedereen nog wel eens in levende lijve zou willen zien als hij eenmaal uit zicht verdwenen is.
Met die tweeslachtige houding heeft Vestdijk zich destijds in een merkwaardige positie gemanoeuvreerd. Zijn boek werd met een wisselende waardering ontvangen. ‘Vestdijk heeft zich uitgesproken over religie’, schreef Vrij Nederland, ‘er zijn er die verrukt schijnen, en anderen die schelden; de mensen zitten ermee verlegen’. Die extreme uitersten in de receptie van het boek leken ook en oorzaak te hebben in de tweeslachtigheid die in het betoog zelf besloten lag. ‘Dit is een koorddans tussen het zuiverste atheïsme en het meest onverbloemde geloof’, schreef de godsdienstpsycholoog Fokke Sierksma. Vestdijk leek op de drempel van een bekering te staan, een overgave aan een godsgeloof waar hij zich met rationele middelen tot elke prijs tegen leek te verzetten.

Die indruk wed decennia later door Gerard Reve nog eens bevestigd. In zijn boek ‘Moeder En Zoon’ (1980) schrijft hij omstandig over het bekeringsproces van een beroemd schrijver (die hij aanduidt met de fictieve naam Onno Z.), dat zich midden jaren vijftig heeft afgespeeld. Onno Z., die een dik boek over religie had geschreven en zijn dankwoord voor de Nobelprijs al jaren gereed had liggen, wilde zich bekeren tot het katholieke geloof. De kerk wilde hem graag hebben. Hij kreeg zelfs een jezuïet op bezoek om hem in de geheimen van de roomse geloofsleer in te wijden.
Dat het uiteindelijk niet doorging is volgens Reve te wijten aan het opportunisme van de succesauteur. De beroemde schrijver deinsde terug voor het gevaar dat hij zich van zijn lezerspubliek zou vervreemden. Op instigatie van ‘karpatenkop Pleun de Q.’ (een hatelijke naamsverbastering van ‘Theun de Vries’) zag hij er uiteindelijk vanaf en liet weten dat hij geen lid kon worden van de kerk die de dictatuur van Franco mede gevestigd had en in de strijd tegen het nationaal-socialisme op schandalige wijze verstek had laten gaan.
Hoe het ook zij, de kritiek bij het verschijnen van ‘De toekomst der religie’ kwam niet alleen uit de hoek van de culturele vertegenwoordigers van het naoorlogse domineesland, die het opvatten als een eigentijds symptoom van doorgeschoten scepticisme, maar ook van kritische intellectuelen in de traditie van Ter Braak, die zich met veel moeite aan een geloof hadden ontworsteld. Voor hen ging Vestdijk met zijn welwillende kritiek op het christendom lang niet ver genoeg. Bovendien werd het socialisme ook nog eens als een nieuw geloof bekritiseerd, waarin Ter Braak overigen al voor de oorlog met zijn doortimmerd essay ‘Van oude en nieuwe christenen’ (1937) Vestdijk was voorgegaan.
Achteraf is deze receptie van Vestdijks pleidooi voor een waardig afscheid kenmerkend te noemen voor het krampachtige klimaat dat in het naoorlogse Nederland zou ontstaan rondom het denken over religie. In een nog volledig verzuild klimaat, waarin een agnostisch intellectueel doorgaans als ‘heiden’ of ’paganist’ werd bestempeld, kwam zijn pleidooi voor een waardig afscheid veel te vroeg. Voor het maatschappelijke debat was religie in die eerste naoorlogse jaren geen onderwerp, voor de literatuur des temeer.
Een door God vergalde jeugd zou voor een nieuwe generatie romanciers een goudmijn worden voor bekentenisliteratuur in dienst van de seksuele bevrijding. In die zin was de bekeringsgeschiedenis van Gerad Reve – die zich in de eerste helft van de jaren zestig voltrok – de uitzondering die de ‘regel van de mainstream’ eerder bevestigde dan ontkende. De ironie van de geschiedenis wil dat `Vestdijks boek uit 1947 nog een belangrijke bijrol zou spelen in het slotakkoord van de seksuele revolutie in Nederland. De in 2004 overleden filmregisseur Wim Verstappen schreef in 1970, toen hij zijn film ‘Blue Movie’ voor het tribunaal van de vaderlandse filmkeuring moest verdedigen, een briljant pleidooi, waarbij hij veelvuldig citeerde uit Vestdijks ‘De toekomst der religie’. Dit wapenfeit leidde uiteindelijk tot het opheffen van de filmkeuring in Nederland. Vestdijks pleidooi voor een waardig afscheid van het christendom heeft in ieder geval één heel ander afscheid mede tot gevolg gehad.

Toen de ontkerstening in de jaren zestig definitief om zich heen greep, verdween religie ook van de filosofische agenda. Na Spinoza is filosofie nooit een tak van sport geweest, waar Hollanders in uitblinken. Als er in de lage landen werd nagedacht over zaken die verder reikten dan de belangen van de koopman, raakte elk vertoog ongemerkt besmet met de toon van de kansel. God vormde eerder een obstakel dan een uitnodiging tot denken. In de jaren zestig voelde menigeen zich dan ook van dat obstakel verlost. Stilaan werd religie door intellectueel Nederland niet eens meer als een serieus onderwerp beschouwd. Het afscheid was immers allang genomen.
Processen als ontzuiling en emancipatie hebben een hele generatie razendsnel van wereldbeeld doen wisselen. Religie werd een exclusief domein voor dominees, sterker nog voor dummy’s. Het werd iets doms. Iets dat je maar beter niet bekritiseerde, iets dat hooguit bestond om er de draak mee te steken. Zo werd Nederland definitief een land voor nuchtere pragmatici, die zich na het afscheid van domineesland – dat niemand ooit zelf had genomen – pijnlijk gingen generen voor grote woorden en tenslotte zelfs voor ideologische vergezichten.

Grote woorden kun je wel afschaffen, maar niet het verlangen waar ze altijd van hebben geleefd, heeft Frans Kellendonk ooit eens beweerd. In de jaren negentig keerde religie terug op de agenda van het maatschappelijk debat, niet alleen door de opkomst de multiculturele samenleving, die de seculariteit van het publieke domein opnieuw ter discussie stelde, maar ook door een opkomend gevoel van onbehagen over een almaar voortschrijdende verzakelijking en ontzieling van de wereld. Je kunt niet afscheid nemen van domineesland, zonder te weten waar je naar toe gaat. Terugkijkend na meer dan een halve eeuw secularisering lijken die woorden misschien wel de onuitgesproken bottomline in Vestdijks ‘Toekomst der religie’.
Voor die toekomst schetst Vestdijk meerdere scenario’s. Waarbij hij uitgaat van een lange termijnperspectief op de westerse cultuur als een ‘proces van toenemende desintegratie van gevoel en verstand’. Een proces waaraan het christendom zelf – samen met de latere ontwikkeling van de wetenschap – veel heeft bijgedragen. Met die gedachte dat de doorbraak van processen als secularisering en ontmythologisering, die zich in de twintigste eeuw hebben voltrokken, al van oudsher in het christendom zelf besloten lagen – sterker nog, dat het christendom de wegbereider is geweest van de ontheiligde, ‘postseculiere tijd van het spektakel’ (waarin het christendom in zekere zin als ‘gerealiseerd’ kan worden beschouwd) – loopt Vestdijks vooruit op hedendaagse filosofen als Slavoi Žižek, Gianni Vattimo en Frank Vande Veire.
‘Integratie’ en ‘desintegratie’ vormen dan ook de sleutelwoorden in Vestdijks betoog. Bij de uitwerking van de verschillende toekomstscenario’s maakt hij dankbaar gebruik van de ideaaltypen uit de vooroorlogs karakterpsychologie. Zo verwacht hij dat het ‘gedesintegreerde, metafysische menstype’ in de toekomst verdrongen gaat worden het meer ‘geïntegreerde, sociale type’. Daarbij heeft hij een socialistisch idealisme voor ogen, dat voor de gedachtegang de volmaakte mens geen opperwezen nodig heeft, maar dit in wezen religieuze idee als een, op aarde te realiseren of na te streven ideaal beschouwt. Je kunt je afvragen of dit sociale streven wel een vorm van religie is, maar Vestdijk ziet het socialisme primair als een vorm van christendom, waarbij hij wederom aanhaakt op gedachten over de christelijke kern van fascisme en communisme in Ter Braaks ‘Van oude en nieuw christenen’ (1937).

Communisme als fascisme waren in de ogen van Ter Braak de uitdrukking van ‘De Grote Gelijkheid’, een fatale gedachte die aan de basis lag van de grote massabewegingen van zijn tijd. Vanuit die benaderinsgwijze legde hij de ‘religieuze kern’ van het atheïstische denken van links en rechts genadeloos bloot . Dat wil zeggen, in het goddeloze denken, waarin de – in de mens geïncarneerde – goddelijkheid van Christus op één lijn werd gesteld met het materialisme van de moderne wetenschap, dat alle transcendente waarheid heeft geabsorbeerd in de vervolmaking van het leven in de aardse tijdelijkheid, dat wil zeggen: in de geschiedenis. “Want deze absolute wetenschap, zo schreef Ter Braak “is even absoluut als Augustinus’ God en de gebondenheid aan haar is even gelovig als de gebondenheid aan God in de ‘libertas’. Ook Ter Braak moest uiteindelijk erkennen dat het begrip ‘menselijke waardigheid’ uiteindelijk niets anders uitdrukt dan de ‘gelijkheid der zielen voor God…zonder God.’
.
Met het socialistisch idealisme, dat Vestdijk voor ogen heeft, lijkt op het eerste gezicht de mensheid van een betere toekomst verzekerd, maar dat is volgens hem allerminst het geval. Het socialistisch gelijkheidsstreven past immers bij een menstype dat zijn idealen niet zelden te hoog stelt. Zijn drang tot metafysische projectie, die nu eenmaal eigen is aan de mens, moet hij nu op ‘het collectief van mensen’ kwijt zien te raken, met alle gevaren van dien, zoals intolerantie voor anders denkenden en veronachtzaming van het innerlijk leven. Dit sociale streven heeft doorgaans ook weinig oog voor de tragische realiteit van het menselijk bestaan.
Met deze gedachte sluit Vestdijk aan op de kritiek op het marxisme dat al voor de oorlog vanuit rooms katholieke zijde is verwoord: het marxisme zou een tragische poging zijn om de ‘condition humaine’ (de erfzonde) te ontkennen. Het marxisme heeft ook geen ruimte voor – laat staan een antwoord op – basale levensvragen over de oorsprong van het kwaad of de aanvaarding van lijden en dood. Marx lees je nu eenmaal niet op je sterfbed. Bovendien vraagt Vestdijk zich af of een sociale orde zonder metafysisch projectie eigenlijk wel mogelijk is. Anders gezegd: is er een duurzame maatschappijvorm denkbaar zonder algemeen beginsel dat metafysisch van aard is en normatief en bindend is vastgelegd.
Met die vraag – die hij overigens niet beantwoordt – zet hij in feite elke uitkomst van zijn betoog op losse schroeven. Juist die basale vraag klinkt vandaag de dag weer vertrouwd in de oren. In de huidige discussie over de constitutionele beginselen van de democratische rechtstaat is dit probleem in een nieuw licht komen te staan. De ‘lege plaats van de macht’ zou vrij moeten zijn van levensbeschouwelijke beginselen, heeft de liberale rechtsfilosoof John Rawls beweerd. Maar de islam zijn intrede doet in de westerse samenleving valt niet te miskennen dat de kern van onze grondwet bepaalde levensbeschouwingen bevordert en andere ontmoedigt.
Frist Bolkestein pleitte jaren geleden al voor een erkenning van christendom en humanisme als grondslag voor onze westerse beschaving. Paus Benedictus XVI wil de christelijke erfenis opnieuw verankerd zien in de Europese grondwet, nu Turkije aan de poort van het avondland rammelt en de islam een radicale terugkeer van de religie predikt in alle buitenwijken van de Europese metropolen. Met die actuele context in gedachten komt het betoog van Vestdijk over de toekomst van de religie in een nieuw licht te staan.
Oude kwesties dienen zich tegenwoordig aan in een nieuw verband. Is er een moraal mogelijk zonder enige vorm van transcendente fundering? Is ons westerse waardenstelsel een product van het christendom of is de Verlichting in dit opzicht beslissend geweest? Moet de overheid religie als grondslag van de moraal ontmoedigen, dan wel bevestigen? Of dient religie wel of niet te worden ingezet bij het bevorderen van de integratie van (voorheen) ‘allochtonen’. Bij dit soort discussies valt mij telkens weer op hoe onverzoenlijk de stellingen aan weerszijden worden betrokken. Het milde relativisme van Vestdijk is in de huidige ‘ik zeg wat ik denk cultuur’ doorgaans ver te zoeken. Het is het een of het ander, een tussenweg lijkt niet te bestaan. Je kiest voor de religie of voor de ratio.
Een dieptepunt vormde het debat dat onlangs oplaaide over het zogeheten ‘ietsisme’. Veel mensen geloven tegenwoordig in een vaag ‘iets’, zonder daarbij een vastomlijnd begrip te hebben van hun religieuze overtuiging. Maar volgens geharnaste atheïsten – met nog altijd Rudy Kousbroek voorop – die het bestrijden van religie als een onwankelbaar geloof praktiseren, is een beetje geloven niet mogelijk. Je kunt immers ook niet een beetje zwanger zijn. Een onmogelijke redenering, alsof het logisch principe van de uitgesloten derde in alle uithoeken van de kenbare werkelijkheid op zou gaan.

Maar hoe zit het dan met de toekomst van de religie? Als het christendom op langer termijn geen overlevingskansen heeft, en ook het socialisme zo zijn gebreken kent, wat is er dan nog wel voor de religie weggelegd? Vestdijk aarzelt en vervolgt al vragend zijn weg. Hoeveel metafysische projectie laat zich binnensmokkelen in een sociale oplossing? Tot hoeveel sociale werkzaamheid is een geïnstitutionaliseerde religie in staat? Zoals gezegd pleit Vestdijk voor een traag en waardig afscheid van het christendom, omdat de integrerende werking daarvan op zijn minst een waarborg vormt voor al te radicale ontwikkelingen.
Het meest wenselijke scenario is de uiteindelijke overleving van de religie in een van haar alleoudste vormen. De verre toekomst reserveert hij dan ook voor het ‘mystiek introspectieve menstype’. Daarbij hoort een religie zonder metafysische projectie, waarbij de mens de wereld verbetert door vooral zich zelf te verbeteren middels geestelijke oefeningen en het streven naar zelfopoffering, mildheid en medelijden. De ontkenning van het ‘ik’ blijft immers nog altijd de kortste weg om tot een collectivistisch ‘wij’ te komen.
In tal van opzichten is ‘De toekomst der religie’ een boek dat niet meer bij de tijd is. De kritiek op de metafysische projectie van het christendom doet geen recht aan de hedendaagse pogingen op de christelijke overlevering op een meer wereldse wijze te interpreteren. Anderzijds loopt het betoog van Vestdijk – zoals eerder gezegd – daar in zekere zin wel op vooruit. Zijn betoog leunt zwaar op de vooroorlogse cultuurpsychologie met al zin misvattingen over ras, type, karakter en het primaat van de man. Nog afgezien van het optimistische vooruitgangsdenken dat destijds nog eeuwen kon overspannen.
En toch, vervang het woord ‘christendom’ door ‘islam’ en nog heel wat passagens van dit half vergeten boek zijn opnieuw actueel. Wie Vestdijks gedachten naar onze tijd verplaatst kan moslims niet anders dan een traag en waardig afscheid van hun eigen ‘projecterende religie’ toewensen. Een te snel geseculariseerde samenleving kan een injectie van een premoderne religie nog best gebruiken. Als een mammoet die nog in leven is, zo moet niet alleen het tradionele christendom, maar ook de islam gekoesterd worden. Ze mogen nog lang in vrijheid voortleven, ook al zijn hun dagen geteld, met als enige beperking dat ze ook andermans vrijheid respecteren. Een waardig afscheid kent geen verachting, ook geen uitvlucht of laatste houvast.
Toch zal ‘het verlangen naar grote woorden’, dat diep in de mens verankerd ligt, zelfs na het laatste afscheid blijven bestaan. Het is zaak om voor dat oude verlangen nieuwe woorden te vinden. Woorden die toestanden willen veranderen, zonder van mensen iets anders te maken dan zij zijn. Zo niet, dan dreigt telkens weer het gevaar, dat oude woorden met grof geweld in ere worden hersteld. De religie heeft – zoals Vestdijk voorspelde – wel degelijk een toekomst.
.
(Deze tekst is een bewerking van een artikel dat eerder verscheen in ‘de Moanne’, jaargang 7, september 2004)
Onbesmotst
30 december 2006 op 10:56
Eens als de bazuinen klinken
Onverwacht van links en rechts
Geraakt men stevig aan het drinken
Denkt men eerder nog aan seks
Rest ons niets meer dan te grinniken
Wordt zijn aangezicht onthult
Schuddebuikend, ja zelfs hinnikend
Als de waarheid ons vervult
Als de graven openbreken
En de chaos is compleet,
Voelt u reeds uw kont al steken
Als zijn koninkrijk wordt betreed
Dat er niets meer valt te zingen
Komt er niets meer van beleid
De pastoor zal handenwringingen
Ook al is een bok geen geit
Huub Mous
30 december 2006 op 12:28
In het graf lag hij te beven
Het lachen was hem daar vergaan
Nu lijkt het of de oude Reve
weer in Smots is opgestaan
Hij dicht weer, hier op deze aarde
de sterren van het firmament
Niets immers is meer van waarde
wie morsdood is heeft geen cent
Bedenk daarom, als straks de maden
een maaltijd hebben aan uw lijf
Het leven is niet te versmaden
en wie schrijven kan die blijft
De seniel geworden oude Reve
alsook zijn zeer geleerde broer
is nu dood, maar dat hij leve
en terugkeert als een Friese boer
Onbesmotst
30 december 2006 op 15:06
Waar Smots zijn schreden zet
Daar wordt de mens van dwang gered
Zolang uw logboek licht en waarheid geve
Ook ter nagedachtenis aan de oude Reve
Zo gaat de mens om Christus’wil
Zo nu en dan van bil tot bil
Verkreeg ik onlangs door ‘Vaders’ daden
Een baan: verwekker bij Wouda’s Zaden
Zoals een boer het zeggen kan
Komt de hoer aan de juiste man
Komt de bakker aan de juiste spijs
Gaat de ambtenaar erg vaak op reis
Leg het zwaartepunt op hem
Kom klaar, verhef uw stem
Kies een altaar breng een heerlijk offer
Duik met Diuwertje Blok in de koffer
Gez. 305
Huub Mous
30 december 2006 op 16:16
Ik heb mijn reisbrieven al klaar
De koffer staat gepakt en zwaar
gereed om te vertrekken nu
Ik ben zo geil: Nader tot U!
Ik zal mijn goudgepunte lans
met verve in de hemel steken
van welke deerne die ongans
mijn paden kruist. In alle streken
van de wind zal ik mijn zaad
gaan storten. In Gods akker!
De wereld worde eindelijk wakker
hoedt U voor deze sekspiraat!
Maar als ik oud en moe gestreden
weer terugkeer naar m’n eigen sponde
vraag niet dan naar de oude wonde
als zoveel moois zal zijn bereden
Onbesmotst
30 december 2006 op 17:01
En toch kwam aan al dat gejakker
Op ‘s Heren’s akker een end
Er was eens een stakker
die was met zijn toorn onbekend
Het oude testament
Dat kent toch iedere kerklijke vent
Het geeft niet of je rent
Want het nieuwe komt er vlak achteran
Jezus staat in Lucas
God die stond alreeds meer vooran
Ik geloof dat het een boek was
Volgens ingewijden heet het Koran
Maar wie gaat oe
Oe oe oe oe hoe
oehoe oehoe oe hoeren t hard
Maar wie gaat oe oehoe oehoe etc
Huub Mous
30 december 2006 op 19:16
Dat Mohammed schuin marcheerde?
Lees Duivelsverzen van Rushdie!
En wat Christus van zichzelf beweerde
Hij beminde ‘n hoer, want geil dat was ie
Was Ghandi oversekst? Ach wat!
En anders wel die Luther King.
Boeddha naaide alle vrouwen plat
Augustinus deed geen ander ding
Wie God wil zien, moet neuken,
pompen, rondhoereren als het moet
Pasolini deed het in de keuken
Reve in een oude hoed
Ach Smots, soms denk ik bij mijn eigen
Dat God het zelf ook heeft gedaan
Zelfs Eva moest een kindje krijgen
En Adam had hem rechtop staan.
Onbesmotst
30 december 2006 op 19:40
Ja maar, echter, ze was een nobel mens
Ze vervulde alles naar Jezus wens
De uitverkorene bleek tamelijk monogaam
Jezus is nog wel een kuise naam
Jawel de seksualiteit beleefde een record
Geen dienaar Gods kreeg er te kort
zo ontstonden sterren aan het firmament
Geen priester die de seks niet kent
De hamvraag; hoe zou het zijn gekomen
Dat God Maria heeft genomen
Die timmerman was toch wel surrogaat
Zijn zoon ontstond uit goddelijk zaad
Van Ghandi wist ik; de seksist
Dat hij het deed met iedere boeddhist
Dit als onderdeel van passificatie
Viel bij de Victorianen in de gratie
Huub Mous
30 december 2006 op 20:58
Maria was heel preuts en vroom
Dat maakte God zo geil als boter
Hij dacht: Ik wil bij jou een koter
en uit zijn oren kwam de stoom
Toen vloog de duif al door de lucht
De Heilige Geest kwam bij haar binnen
Hij penetreerde al haar zinnen
De Maagd slaakte een diepe zucht
Te laat, te laat.., zei Winnetoe
Het zaad was al naar binnentoe
En God kwam klaar met grote trom
Donder en bliksem, kom daar eens om
Gods tempel in Jeruzalem
schudde op zijn fundamenten
Door Haar, met Haar, en in Haar
viel de hel in gruzelementen
Onbesmotst
31 december 2006 op 00:47
Die hetze tegen de condomen
Was die afkomstig van de vromen?
Dus de Heer heeft haar naturel genomen?
Had er geen aids van kunnen komen?
Van Onze Vader komen grote daden
Maar soms valt hem dat dus af te raden
Om op onveilige manieren
Te handelen als de stieren
Sadam Hoessein had een slechte dag
Hij geraakte dezer dagen erg van slag
Dat heb je snel met dat elitaire denken
Van hoge Pieten, van slimme Henken
Nee het ligt hem niet aan de maden
Hun werken daar kan men naar raden
Zijn op basis van totaal verval
De schepping is soms een beetje mal
Huub Mous
31 december 2006 op 01:18
Même a celui qui meurt, pendu sans gloire
n’oublions pas à lui dire au revoir
Giani Esposito
Huub Mous » Tussen twee vuren
2 juli 2008 op 06:23
[...] al een reactie op het ongemeen felle debat dat in 1948 oplaaide na het verschijnen van het boek ‘De toekomst der religie’ van Simon Vestdijk. Sierksma had het boek destijds vier maal gelezen, dus het moet hem zeer [...]
Huub Mous » Existentiële vertwijfeling
16 juli 2008 op 00:12
[...] was. Vestdijk wijdde zelfs zijn dissertatie aan het fenomeen van de existentiële angst. Het boek ‘De toekomst der religie’, dat Vestdijk in 1947 schreef, leverde destijds veel weerstand op. In feite stond Vestdijk in zijn [...]
Huub Mous » Sterven om God te redden
23 oktober 2009 op 07:31
[...] niet mogelijk zonder een even goddelijk nee. Ook Vestdijk was het opgevallen – zoals hij in De toekomst der religie terloops opmerkt – dat alleen in het brein van sommige mystici de gedachte is opgekomen, dat [...]
Huub Mous » De ziektekiemen van de ontzuiling
27 oktober 2009 op 08:17
[...] gevaar zag Vestdijk al in 1947 opdoemen in zijn boek De toekomst der religie. Het was een toekomst, zoals Gerard Reve die twintig jaar later zijn Pleitrede voor het Hof zou [...]