Inside = outside

prplan174.jpg

“Hier vinden we dan eindelijk het missende element in het raadsel van de ‘Plaats van Tao’. Deze werd ons eerst getoond als een gesloten ruimte, een wereld op zichzelf, die niettemin een altaar wordt genoemd, een offerberg. Deze berg heeft echter zowel een buiten- als een binnenkant. De buitenkant van de berg is als het ware losgemaakt en omringt de ‘Plaats van Tao’. De berg is hol geworden in plaats van bol. Midden in de ‘Plaats van de Tao’ bevinden we ons dus binnen in de berg, maar omdat we er tegelijkertijd de buitenkant van zien, zijn we ook buiten; we zijn zowel ‘binnen’ als ‘buiten’. Deze wereld van het altaar openbaart zich bovendien als zijnde geschapen vanuit het lichaam van de Meester. Wanneer hij een beweging ‘naar buiten’ maakt, projecteert zijn lichaam de transcendente krachten die hem in concentrische cirkels omringen in een oneindig aantal gesloten ruimtes. Wanneer de Meester een beweging ‘naar binnen’ maakt, vindt hij in zichzelf een plaats van afzondering en retraite, het eigene, de wereld van rust: de stille kamer.” (Kristoffer Schipper, Tao, de levende religie van China, 1990)

Met deze woorden schetst de Nederlandse sinoloog Kristoffer Schippers de wonderlijke, voor westerse begrippen haast onvoorstelbare topologie van het taoïstische universum. De vertrouwde scheidslijnen tussen binnen en buiten zijn hier opgeheven. Op de ‘Plaats van Tao’ is de berg is zowel van binnen als van buiten waarneembaar. Zoals ook de Meester zelf in de schoot van zijn moeder verbleef, van waaruit hij ‘s nachts ontsnapte om de Tao de bestuderen. Dit ‘binnen-zijn’ in een omsloten embryo, en tegelijk buiten rondlopen in de grote wereld betekent dus dat de Meester zowel geboren als ongeboren kan zijn. Hij kan binnenin een berg zien en tegelijk de buitenkant waarnemen. Hij kan in een stille gesloten kamer zijn en tegelijk ook buiten op straat in de grote wereld. Dat wil zeggen: de wereld die zich in een oneindig uitdijende reeks concentrische cirkels telkens verder verwijdt vanuit een middelpunt, dat tegelijk geen middelpunt (in het midden) is, maar een middelpunt dat overal tegelijk is. Het centrum is immers overal en nergens tegelijk.

bees.gif

Ik heb me proberen voor te stellen hoe deze wereld er uit zou zijn. Er moet een topologische reconstructie zijn, zo dacht ik bij mijzelf voor dit ogenschijnlijk bizarre universum. Zo tekende ik een opgeblazen ballon, waarop allemaal ballonnetjes staan afgebeeld, die tegelijk – ieder op zich – ook weer die ene grote ballon zijn die wordt opgeblazen. Daarna tekende ik een spiegelkabinet, dat bestond uit een kamer met zes grote spiegelvlakken: vloer, plafond en alle vier de wanden. Wanneer de Meester in het midden staat, zo bedacht ik, dan ziet hij zichzelf eindeloos herhaald in eindeloos veel kamers staan. Het centrum is overal en nergens tegelijk, binnen en altijd ook weer buiten. Stel dat de Meester, die in het midden staat, niet de echte Meester is, maar een kopie, dat wil zeggen, een spiegelbeeld van zichzelf. Waar staat dan de echte Meester? Waar is het echte midden? Bestaat dat midden wel? Of is alles een spiegelbeeld van elkaar?

jung.jpg

Tenslotte tekende ik een contourlijn van mijn eigen gezicht: nek, achterhoofd, kruin, voorhoofd, neus, bovenlip, mond kin en hals. Zo kreeg ik twee losse uiteinden van de lijn: één bij nek, waar ik begonnen was, en het tweede bij de hals, waar ik was gestopt. Vervolgens verbond ik die twee losse uiteinden met elkaar, maar niet door een rechte verbindingslijn te trekken, maar door de lijn weer naar binnen te krommen, in de holte van het hoofd en daar weer eenzelfde contourlijn te tekenen. Deze gelijkvormige ‘binnen-contourlijn’ van het hoofd verbond ik vervolgens met het uiteinde, waar ik begonnen was: de nek van de eerste contourlijn. Zo ontstond een hoofd in een hoofd, een soort ‘binnenhoofd’ dat onlosmakelijk (als een soort concentrische, siamese tweeling) verbonden was met het ‘buitenhoofd’.

Die twee hoofden hebben een eigenaardige topografie. De vertrouwde scheidslijnen tussen binnen en buiten gaan immers voor dit rare ‘dubbelhoofd’ niet meer op. Vanuit het ‘buiten’ van het grote ‘buitenhoofd’ kun je nu zomaar – zonder een lijn te passeren – overgaan naar het ‘binnen’ van het kleine ‘binnenhoofd’. Tegelijk valt het ‘buiten’ van het kleine ‘binnenhoofd’ precies samen met het ‘binnen’ van het grote ‘buitenhoofd’. Zo is er een soort dwarsdoorsnede ontstaan van een vierdimensionale ‘binnen-buiten-ruimte’. ‘Binnen’ keert zich om in ‘buiten’ en omgekeerd. Zoals bij de beroemde Möbiusring, maar nu in een andere dimensie.

mobius.gif

Ik stel me zo voor dat ook de taoïstische kosmologie gebaseerd is op een dergelijke topologie. In het taoïsme wordt dit in mythisch termen verwoord. Het is niet ondenkbaar dat deze topologie verwantschap heeft met de topologie die in de hedendaagse astrofysica wordt vermoed. De theorie van de sferen (eigenlijk de triade: bellen, sferen, schuim), die Sloterdijk in zijn boek in talrijke mythische varianten uiteenzet, is sterk geïnspireerd door het taoïsme. Sloterdijk verwijst ook naar Kristoffer Schippers, zonder overigens de bovengenoemde passage te vermelden. Wonderlijk is dat Sloterdijk de verwantschap tussen het taoïsme en de hedendaagse natuurwetenschap vrijwel onbesproken laat.

De idee van het schuim, de concentrische spiegelende bellen, de achtergrondstraling, waarin het heden zich weerspiegelt in het verleden en omgekeerd, kortom heel de speculatieve topologie, waarin de kosmos tegenwoordig – door wiskundig begaafde natuurkundigen – opnieuw in elkaar wordt gezet, heeft veel weg van de het topologisch – en tegelijk mythologisch geaarde – verbale geknutsel van Sloterdijks sferentheorie. Topologie is tegenwoordig de centrale wetenschap van het universum geworden. De internationaal gerenommeerde, Amerikaanse astrofysicus Janna Levin verwoordt het primaat van de topologie als volgt:

gluemug.gif

“Als ik niets van topologie zou weten, zou ik aannemen dat het heelal oneindig was als het vlak zou zijn, eindig als het positief gekromd en oneindig als het negatief gekromd zou zijn. Elk van deze mogelijkheden komt overeen met de veronderstelling van enkelvoudige samenhang. Geen ervan heeft hengsels of gaten. Maar we kunnen er een topologie aan opleggen zonder de kromming te veranderen en we kunnen de standaardkosmologie van zowel onze vroege geschiedenis als onze uiteindelijke lotsbestemming min of meer handhaven. Als het heelal compact is en hengsels heeft dan zullen die eigenschappen nooit veranderen in de tijd dat het heelal volgroeid is. Hoewel de relativiteitstheorie voorspellingen doet omtrent de krommingen in de ruimte, kan ze niet de topologie vaststellen. Maar wij kunnen ondanks onze onwetendheid, wel proberen om te kijken en inzicht te krijgen. We zijn het aan onszelf verplicht om ons te behoeden voor fanatisme en dogmatiek.” (Janna Levin, Hoe het heelal zijn vlekken kreeg, 2002)

zie en luister

4 Reacties »

  1. Sito

    19 oktober 2006 op 17:25

    Graag je mail in je g-mailaccount lezen. Hoi.

  2. 34t3ew

    23 mei 2007 op 13:33

    waar slaatdit op

  3. Huub Mous » Van oude en nieuwe sferen

    9 juli 2009 op 07:17

    [...] psychologische ‘psycho-ruimte‘ van internet is wat anders dan de pure virtualiteit, zoals de internet-ruimte doorgaans [...]

  4. Huub Mous » Het solipsisme van een kind

    1 februari 2010 op 00:22

    [...] Droste-effect. Ik zat erin en de wereld zat in mij. Totdat ik ontdekte dat de topologie van Tao (inside=outside) exact op deze wijze gestructureerd [...]

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)