De schoonheid van de scheet

Waar is de sonore scheet gebleven? Deze vraag wekt bij mij een diep gevoel van melancholie. Ik kan me het moment niet meer herinneren dat ik iemand voor het laatst in het openbaar een klaroenstoot hoorde geven. Onbeschaamd, zo van hier sta ik, ik kan niet anders. De voortgang van de beschaving mondt uit in de totale repressie van de scheet. Hij verdwijnt uit het openbare leven, niet alleen als onbedoeld auditief signaal, maar ook als reukmarkering in het publieke domein. Zelfs in trein of bus ruik je zelden nog die alle hoop ontnemende putlucht die je even doet beseffen dat je een mens bent en sterfelijk.

Een scheet biedt niet alleen bron een van onderdrukt genoegen, maar ook een vorm van troost. De scheet verbindt ons met de aarde. Hij is de wegbereider van de ontlasting. Hij is het gas dat zich spontaan vrijmaakt om opluchting te geven aan ingewanden en gemoed. Het wezen van de scheet is beweging. Het Latijnse wordt ‘flatus’, dat ‘wind’ betekent duidt op de verplaatsing van lucht die kenmerkend is voor de scheet. Een muzikale verplaatsing van lucht, meer is het niet. Een scheet zonder klank is als een vogel zonder zang. Kenmerkend ook voor de scheet is ook het onbedoelde karakter ervan. Toch kan juist in het schemergebied van willekeur en beheersing iets heel moois ontstaan. Daar gaat het flatuleren over in de petomanie. Het doelbewust produceren van een welluidende scheet.

Het femomeen petomanie is nog niet zo oud. In de geschiedenis is de petomaan een product van de moderniteit. Nog in de achttiende eeuw was het zelfs in de hoogste kringen heel gebruikelijk om publiekelijk te flatuleren. Het civilisatieproces is van de verfijning van tafelmanieren en eetgewoonten langzaamaan afgezakt naar de etiquette van de anus. Naarmate de ongemanierde burger meer en meer in het keurslijf van de beschaving werd geperst, verdween de scheet als geoorloofd signaal van lichamelijk welbevinden. Boeren en scheten werden zo uitingen die de schaamte opwekken.

Het doelbewust doorbreken van dit taboe is dan ook een product van de Victoriaanse tijd. De Fransman Joseph Pujol, die bekend staat als de eerste petomaan, betreedt aan het eind van de negentiende eeuw het toneel. Letterlijk, want zijn optredens in de Moulin Rouge trokken belangstelling uit heel de wereld. In zijn hoogtijdagen trok hij meer publiek dan Sarah Bernardt. Zelfs Freud bezocht zijn shows, gefascineerd als hij was door de anale fixatie die door deze artiest tot een nieuwe kunstvorm gesublimeerd werd. In feite was Pujol een charlatan. Zij scheten waren immers niet echt. Ze roken niet eens. Hij had alleen het vermogen ontwikkeld om lucht van buiten met de anus ‘in te ademen’ en vervolgens naar believen als een trompet weer uit te stoten.

Hoe het ook zij, de verschijning van de petomaan luidde de teloorgang in van de scheet. De schoonheid van het flatuleren werd gedegradeerd tot een spectaculaire beleving in dienst van de sensatiebeluste massa. De scheet werd letterlijk van zijn aardse oorsprong ontdaan. De stank, die in alle registers van walging en perverse zelfgenoegzaamheid de basis vormt van de scheet, is in onze tijd taboe verklaard. Het lichaam werd uitgeleverd aan de terreur van de deodorant. De mens werd een antiseptische constructie van de mode-industrie die ons alle geweld wil doen geloven dat we geen oorsprong hebben in het binnenste van de buik. Een mens wordt tussen stront en pis geboren, zei Seneca al. Alleen de diepe putlucht van de scheet herinnert ons nog aan onze ware herkomst.

Lezend in een boek over Augustinus stuittie ik gisteren op een ode aan de scheet. De oude kerkvader raakte in zijn laatste levensjaren zo overtuigd van de glorie en almacht van God, dat hij niet het hoogste begon te bejubelen, maar het laagste dat denkbaar is. Het laat-antieke denken hanteerde een hiërarchisch ideeënkader, waarin het lichaam de onderste plaats innam. Langs deze lange weg van vlees en drek naar geest en God moest de mens zien op te stijgen. Maar ook in de onderste regionen van aarde en lichaam is de Platonische schoonheid te vinden. Zo heeft Augustinus niet alleen een loflied kunnen zingen op de pracht van de worm met zijn schitterende kleur en volmaakte ronde lichaamsvorm, maar roept ook de scheet bij hem pure verwondering op.

Zo beweert hij dat de mens zijn scheten meer onder controle heeft dan zijn erecties: “Sommigen brengen uit hun achterste zonder enige stank naar hun believen zulke harmonieuze geluiden te voorschijn dat ze ook naar die kant schijnen te zingen.” Hallaluja, dit is de schoonheid van de scheet!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)