De stront van God

Salò o le 120 giornate di Sodoma van Pasolini is al ruim dertig jaar oud, toch wordt nog altijd over deze film nagedacht en geschreven. Het is een verontrustende film, niet zozeer vanwege de schokkende inhoud – wat dat betreft zijn we tegenwoordig wel wat gewend – als wel om de strekking, de betekenis. Wat heeft deze film te zeggen? Waar gaat hij eigenlijk over?

Ik zag Salò voor het eerst in het begin van de jaren tachtig tijdens een filmfestival in Leeuwarden. Hij werd na twaalven ‘s nacht gedraaid. Ik herinner me nog goed de bijna gewijde sfeer in de grote zaal van de Harmonie die tot de nok toe was gevuld. Tijdens de twee uur durende vertoning kon je een speld horen vallen. Die stilte was misschien nog het meest beklemmend.

Gisteren heb ik het essay nog eens herlezen dat de Vlaamse filosoof Frank Vande Veire aan de film Salò heeft gewijd. Het is opgenomen in zijn boek Neem en eet, dit is je lichaam, fascinatie en intimidatie in de hedendaagse cultuur (2005). Vande Veire analyseert Salò bijna als een tekst, een filosofisch vertoog. Ik ken weinig schrijvers die zo indringend en diepgaand kunnen ontleden wat er in een film in feite gebeurt.

Vaak wordt beweerd dat Pasolini met zijn Salò niet alleen het fascisme als een sadistische perversiteit aan de kaak heeft willen stellen, maar ook de consumptiemaatschappij zoals die zich sinds de jaren zestig heeft ontwikkeld. Dat wil zeggen: een op genot gericht economisch systeem, waarin het lichaam uiteindelijk tot een ding wordt gereduceerd. Het genieten wordt een intimiderend imperatief. De stille dwang tot genot, die zelfs de seksualiteit absorbeert binnen een schijnwereld van geregisseerde verlangens, is in feite de motor waar de economie op draait.

Vande Veire plaatst die kritiek in een breder kader van maatschijppijkritiek. Dat soort kritiek werd in de jaren zestig vooral vanuit linkse hoek verwoord door auteurs als Van Hans Magnus Enzensberger (Bewusstseinsindustrie, 1962), Herbert Marcuse (One-dimensional man, 1964), Guy Debord (La societé du spectacle, 1967) en Jean Baudrillard (La societé du consommation,1970).

Toch geeft het kader van linkse maatschappijkritiek niet echt een houvast bij een poging tot interpretatie. Dat soort duidingen worden immers op zijn minst problematisch in het licht van Pasolini’s eigen fascinatie voor de zielloze seks van zich prostituerende jongens, die hem uiteindelijk ook fataal is geworden. Het is of Pasolini in Salò niet alleen een verband legt tussen het sadistisch universum van het fascisme en de hedendaags kolonisering van het lichaam, maar toch vooral ook zijn eigen seksualiteit onder het mes legt.

Vande Veire haalt dan ook terecht Pasolini’s eigen woorden aan: “Menig afzonderlijk seksueel leven, zoals het mijne, heeft het trauma van de schijntolerantie en de lichamelijke vernedering ondergaan, en wat eerst in seksuele fantasieën pijn en plezier was, is nu suïcidale teleurstelling, amorfe apathie’. Zoals de activiteit van de mysticus moet eindigen in de via negativa, de negatieve theologie van Gods afwezigheid, zo lijkt er een religieuze kern te zitten in de meest extreme vorm van sadisme

Zelfs de libertijnen van Sade waren geen athëisten pur sang. In het sadistisch geweld waarmee het lustobject van elke menselijkheid wordt ontdaan verschijnt de ultieme afwezigheid van God uiteindelijk in stront. De sadist vereenzelvigt zich met de wrede God van de natuur die er een smerig genoegen in schept om onder zijn ogen alles tot drek te laten vergaan. Een ander dwingen om zijn eigen stront op te eten is het religieuze verdwijnpunt van het fascisme. Neem en eet, dit is je lichaam.

Het verontrustende van de film Salò is dat hij uiteindelijk geen enkel houvast biedt. Het is een doffe dreun die je ook alleen verdoofd kunt ondergaan. Je kunt niet eens verontwaardigd zijn over de wijze waarop lust en geweld in beeld worden gebracht. Er is geen enkel effectbejag. Juist de afstandelijkheid, waarmee het meest gruwelijke wordt geregistreerd en in vertellingen wordt verpakt, maakt het geheel vrijwel ondraaglijk.

De anonieme terreur van het fascisme, waarin de strakke formaliteit van het systeem de meest onmetelijke perversies kan verhullen, laat zich moeilijk op één lijn stellen met de hedendaagse consumptiemaatschappij, waarin de zachte dwang tot genot als kerosine voor de economie fungeert. In die zin kan ik de vergaande interpretaties van Vande Veire niet altijd volgen.

Met dit soort duidingen wordt misschien wel de angel uit de film weggetrokken. Als dat allemaal waar zou zijn, dan is Salò niet meer zijn dan een ideologisch manifest. Salò biedt uiteindelijk geen enkele uitweg tot interpretatie, dat is de duiding die wellicht het meest zuiver is. En misschien ook het meest verwarrend. Ik herinner mij de film vooral als een onbenoembare ervaring. Als de beklemmende stilte toen het licht opging. Een stilte die voortduurde tot de laatste bezoeker de zaal had verlaten.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)