Pleidooi voor het overbodige

Slechts 2 procent van het menselijk DNA bestaat uit genen. De overige 98 procent heeft geen functie, zo werd lange tijd gedacht. Biochemici spraken dan ook van ‘junk-DNA’ of wel de ‘donkere materie’ van het genoom. Recentelijk werd ontdekt dat dit ‘junk-DNA’ wel degelijk een functie heeft, zo las ik gisteren in de bijlage van de NRC. Het beeld van het menselijk genoom is tegenwoordig drastisch aan het veranderen. De Australische geneticus John Mattick verwoordt het als volgt:

“Er rijst een beeld op van het menselijk genoom, waarbij het niet langer een lege woestijn is met hier en daar wat eiwitproducerende eilandjes, maar een complex netwerk van verweven, actieve elementen die zich uitstrekken over een groot deel van het genoom, inclusief de regio’s tussen de genen die voorheen als inactief werden beschouwd.’

Vooral deze laatste zin zette mij aan het denken. Deze constatering lijkt exemplarisch te zijn voor een ingrijpende omwenteling die zich tegenwoordig haast ongemerkt op vele terreinen voltrekt. Het is de overgang van hiërarchie naar netwerk, van reductie naar complexiteit, van lineair naar non-lineair, van geïdealiseerde orde naar structurerende chaos. Niets in de natuur is te isoleren of vast te pinnen op één moment, maar alles maakt deel uit van een kluwen van uiterst complexe processen die zich voltrekken in de tijd.

Dat soort processen, waarin alles met alles samenhangt en het geheel meer is dan de som der delen, zijn te beschrijven en mogelijk zelfs tot op zekere hoogte te verklaren, maar de uitkomst ervan blijft onvoorspelbaar. Wat is het dan, zo vraag ik me af, dat dit alles structuur geeft? Is het soms een blinde drang tot ordening die in het systeem zelf zit ingebakken?

De gedachte dat een nog onbekende structuurdrift in alle schaalniveaus van natuur en cultuur werkzaam kan zijn, vanaf moleculen en neuronen tot aan de economie en het gedrag van een menigte, de gedachte ook dat er mogelijk een nieuwe hoofdwet in de maak is die deze structuurdrift geheel inzichtelijk maakt, een principe dat complementair zou zijn aan de tweede hoofdwet van de thermodynamica, dat alles doet mij duizelen.

Eén ding lijkt steeds duidelijker te worden: bij hogere organismen heeft efficiency niet de hoogste prioriteit. Alleen bacteriën hebben zich ontdaan van alle junk-DNA. In feite bestaat er geen junk, geen overschot, geen zwarte materie of donkere DNA. Zelfs het ogenschijnlijk meest onnuttige speelt een rol van enige betekenis, een functie die zelfs van cruciaal belang kan zijn voor de complexiteit van het geheel. Het ‘overbodige’ is dus broodnodig. Het onderkennen van de gevolgen van dit soort basale ondekkingen zal nog heel wat tijd vergen.

Veel van onze hedendaagse efficiency- en managementcultuur is nog op de oude leest geschoeid. Dat wil zeggen op reductie. Al het overbodige wordt immers weldra weggesaneerd. Overal wordt de tijd ingepakt, niet alleen door de om zich heen grijpende electronische netwerken, maar ook door de economie die in tenemende mate alles met alles verbindt. Elk bedrijf of maatschappelijk subsysteem wordt gereduceerd tot zijn ogenschijnlijk meest functionele staat, dat wil zeggen, ontdaan van alle ‘junk-momenten’ die tot voor kort misschien wel de cruciale buffers vormden van het organisch geordend totaalsysteem.

Hoe nuttig is het niet om af en toe volkomen doelloos uit het raam te staren, een onderneming te starten die totaal geen zin heeft, onzin uit te slaan of zomaar een blokje om te lopen. Ik zou een pleidooi willen houden voor het behoud van het overbodige. Een pleitrede voor het verlummelen van tijd. Voor al het ogenschijnlijk nutteloze, waartoe ieder mens is geneigd en dat wereld uiteindelijk in stand houdt. Als het overbodige verdwijnt, verwildert het volk.

En wie aan mijn ziel knaagt, maakt de weerwolf in mij wakker. Maar dat is een ander verhaal.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)