Stuiterende ballen

‘Zoals de activiteit van de mysticus moet eindigen in de via negativa, een theologie van Gods afwezigheid, het vurig verlangen naar de wolk van onwetendheid en voor de stilte voorbij het spreken, zo moet kunst neigen naar anti-kunst, het elimineren van het onderwerp ( het object, het beeld) , het vervangen van intentie door toeval, en het volgen van de stilte’.

Aan deze woorden van Susan Sontag moest ik denken toen ik zondagavond vier minuten van de film ‘Bouncing Balls’ van Bruce Nauman terugzag op tv. Deze film laat het stuiteren zien van Naumans eigen ballen, die door zijn vingers in beweging worden gebracht. Tergend langzaam en in volledige stilte voltrekt zich de handeling. De film is opgenomen met een technische camera en wordt in slomotion afgsepeeld.

‘Bouncing Balls’ is een bijzonder kunstwerk dat exemplarisch is voor de jaren zestig. Het lijkt of alles van die periode hierin samenkomt: de radicaliteit, de aandacht voor het conceptuele, het minimalisme en het formalisme, de ontdekking van het eigen lichaam als middel tot kunst en niet te vergeten de ontkenning van alle traditionele kenmerken van het kunstwerk.

Zo wordt complexiteit van de compositie vervangen door de eenduidigheid van het concept. De zich in de tijd ontvouwende esthetische contemplatie maakt plaats voor de onmiddellijkheid van de taboedoorbrekende confrontatie. Het is de tijd dat alles op zijn kop werd gezet. De kunst viel ten prooi aan een bijna mystieke radicaliteit in een totale omkering van alle waarden. De via negativa, zoals Suasan Sontag dat noemt.

Sontag heeft – voor zover ik weet – als enige ooit gewezen op de religieuze dimensie van dit soort radicale kunstuitingen. Haar artikel ‘Styles of radicall will’ schreef zij in 1969, hetzelfde jaar dat Nauman zijn ‘Bouncing Bals’ produceerde. In dit artikel wijst Sontag op het zogeheten ‘antinomisch principe’ dat eigen is aan anti-kunst.

Dat soort kunst breekt met alle traditionele waarden van het kunstwerk, zodanig dat het vaak zelfs niet meer als kunst te herkennen valt. Uiteindelijk waren Duchamp en Dada daar 50 jaar eerder al mee begonnen, maar in de jaren zestig wordt deze revolutie voltooid. Kunst zocht de scherpte op van het extreme in strijd tegen de valsheid, de leugen en het cliché.

“Kunst is ongemaskerd en ongegrond’, zo schrijft Sontag, “en elke concreetheid van het middel van de kunstenaar blijkt een valstrik te zijn. Uitgevoerd in een wereld vol tweedehands waarnemingen en in het bijzonder tegenover het verraad van het woord, is de activiteit van de kunstenaar vervloekt”. En even verderop: “Kunst wordt de vijand van de kunstenaar. Want het ontzegt hem de voltooiing, de transcendentie die hij verlangt. Daarom wordt kunst als iets dat ten val gebracht moet worden.”

Het zijn vergelijkbare woorden waarmee ook een terrorist en een Messias de wereld op zijn kop kunnen zetten. De jaren zestig waren een tijd van antinomie. Het heilige werd ontheiligd en het taboe werd heilig verklaard.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)