God en gekte

In elke groep – en binnen elk individu – kunnen processen optreden waarbij beelden van goed en fout extreem gaan polariseren. Fout is de ander, goed is het zelf. Hierbij wordt niet zelden de fout gemaakt, om dat wat fout is in de groep (of het zelf) niet onder ogen te zien en juist aan de buitenstaander toe te schrijven. De psychologie spreekt dan van ‘projectieve identificatie’. Wat goed is wordt dan spierwit wat fout is gitzwart. In dat geval is het zaak dat er alternatieve beelden ontstaan die het scherpe contrast tussen zwart en wit doen vervagen. Dat moeten beelden zijn die een groter verband oproepen, een symbool of metafoor, waarin de ervaren kloof tussen goed (binnen) en fout (buiten) weer overbrugd kan worden.

Bij de eerste christenen bestond er een grote spanning over de vraag wie wel en niet tot de christelijke gemeente kon behoren: Joden, Grieken of slaven. Het is de geniale gedachte van Paulus geweest om als antwoord hierop te wijzen op ‘het lichaam’ als universeel symbool van eenheid: “Want als het lichaam één is en vele leden heeft, en als de leden van het lichaam, hoe vele ook, en lichaam vormen, zo ook Christus (..) Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.’ Met die woorden kan het individu zich niet alleen verbonden voelen met de groep, maar ook een groep met de hele mensheid. Het mystieke lichaam van Christus werd zo een soort ‘spirituele matrix’ die de wereld bijeenhoudt.

Op deze geniale gedachte van Paulus berust de humaniteit van het christendom. En toch kleeft er ook een keerzijde aan dit fraaie idee. De matrix van het ‘mystieke lichaam’ introduceert een humanitaire totaliteit waar in laatste instantie niet aan te ontkomen valt. Wie niet bereid is om deze matrix te erkennen plaatst zichzelf buiten de mensheid. Hij wordt een zelfzuchtig ‘onmens’. Zo kon een metafoor die bedacht was om het contrast tussen zwart (buiten) en wit (binnen) te relativeren tegelijk ook aan de basis staan van de ergste kwalen uit de geschiedenis: ketterij, vervolging, inquisitie en fascistoïde vormen van terreur.

Binnen de hedendaagse opvattingen over de ontwikkeling van de psyche in de eerste levenfase spelen mechanismen als angst en agressie een grote rol. De zuigeling is bezig met het bezweren van de angstaanjagende buitenwereld in een soort basale economie van de lust. Juist door dit bezweren van angst en onlust ontstaat de eigen psychische binnenruimte. Volgens de psychoanalytica Melanie Klein maakt het kind al in zijn pre-oedipale fase een eerste onderscheid tussen goed en fout. De ‘goede’ en de ‘foute’ moederborst worden door het kind van elkaar onderscheiden, nog voordat er enige scheiding tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ ervaren wordt.

Die eerste ontwikkeling wordt gevolgd door het mechanisme van ‘splitting’, waarbij het ‘goede’ als ‘binnen’ wordt ervaren het foute ‘buiten’ wordt gesitueerd. Dit mechanisme kan op allerlei manieren al vroeg ontsporen en zelfs psychotische trekken aannemen. Voor de zuigeling zijn er nauwelijks grenzen tussen geestelijke gezondheid en razernij. Het is zaak dat zijn lustvolle identificatie met ‘het reële’ systematisch van buitenaf gefrustreerd wordt. Door de zachte dwang van de moeder en de stimulans om telkens weer te symboliseren wordt het narcisme van de zuigeling uiteindelijk beteugeld en komt een gezonde scheiding tussen binnen en buiten tot stand.

In zijn boek ‘Tussen God en gekte, een studie over zekerheid en symbolisering in psychose en geloven’ (2000) vraagt de theoloog Sytse Ypma zich af hoe deze pre-oedipale economie van lust en onlust, waarin het eigen ‘ik’ zich stilaan formeert binnen de symbolische orde van de psychische realiteit, zich verhoudt tot het ontstaan van een godsbeeld. Hoe komt het dat zoveel gekken denken dat ze God zijn? Waar liggen de grenzen precies tussen geloof en psychose?

Ik zou daar nog een vraag aan toe willen voegen. Hoe verhouden zich de ontsporingen, die kunnen optreden in de eerste levensfase van het kind zich met de totalitaire schaduwzijde van de religieuze projectie? In hoeverre wordt in de theologie de rol van de vader overschat en die van de moeder onderschat? De psychotische waan heeft een opvallende gelijkenis met de mystieke ervaring. De moderne psychologie heeft op dit schimmige terrein zijn rationele grenslijnen getrokken. De psychose is ziek (fout), de mystiek is gezond (goed), al berusten beide fenomenen op een affectieve en wellicht zelfs seksueel geladen illusie.

Wordt het niet hoog tijd om de elementaire scheidslijnen weg te nemen tussen ‘razernij als een menselijke ziekte’ en ‘razernij door een goddelijke verandering van de normale menselijke toestand’. Of het nu gaat om scheidslijnen tussen lichaam en geest, gezondheid en ziekte, geloof en ongeloof of goed en kwaad, het zijn nooit ‘natuurlijke grenzen’ waarover we dan spreken, maar altijd historische markeringen binnen wereldbeeld en wetenschap. Of – in de woorden van Plato: “Het grootste goed overkomt ons door een razernij die ons door een gunst van de Goden wordt geschonken.” Dat geldt evenzeer – vrees ik – voor het grootste kwaad.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)